Een holebigeschiedenis van Leuven

Of hoe de LGBT-gemeenschap stilaan in de openbaarheid trad

20 May 2017
Longread
Auteur(s): Gilles Michiels , Alexander Verbist
Voor de Belgian Pride tooit België zich vandaag in regenboogkleuren. Toch is zo’n jaarlijks holebifeest lang niet vanzelfsprekend. Een unieke blik op de geschiedenis van de Leuvense holebigemeenschap.

De Belgian Pride is de kers op de taart van het PrideFestival, een aantal onafhankelijke LGBT-evenementen in mei. Voor een Leuvens studentenblad biedt het de gelegenheid om de unieke en schrijnende geschiedenis van de LGBT-gemeenschap in eigen stad te schetsen. Onze methode? De stad ‘lezen’. Het is verbazend hoeveel de openbare ruimte zegt over haar inwoners.

De mainstream glijdt van elke muur. Kijk maar eens naar de gebouwen, etalages of zelfs posters: stuk voor stuk tonen ze ons wat maatschappelijk aanvaard wordt. Interessanter is misschien om te kijken naar wat niet aanvaard wordt binnen de publieke ruimte. Natuurlijk is zoiets moeilijker te zien - het is verboden of underground - maar de verhalen van mensen zelf kunnen ons tonen hoe zij de sociale ruimte hebben beleefd en geïnternaliseerd. De geschiedenis van de holebi’s in onze publieke ruimte kan bovendien enkele onbekende stukken van Leuven blootleggen.

Dat was althans de insteek van Manuel David Espinel. De Spaanse student werkte vorig jaar aan de KU Leuven zijn master Culturele Studies af met de scriptie Leuven from a queer perspective. Espinel had weinig officiële teksten ter beschikking. Logisch: zijn onderwerp was ‘queer’. Aan de hand van interviews met mensen uit de LGBT-gemeenschap, die een belangrijke periode in hun leven in Leuven doorbrachten, probeerde Espinel de Leuvense ‘queer spaces’ te begrijpen. Deze longread is grotendeels op zijn pionierswerk gebaseerd.

Het hoeft geen betoog dat de studententijd in Leuven bepalend is voor de identiteit. Dat verklaart misschien Espinels specifieke focus op Leuven: het is de plaats waar de meesten hun eerste vrijheid beleven. De overgang van een kleiner en vaak conservatief gehucht in Vlaanderen naar ‘grootstad’ Leuven betekent voor holebi’s vaak ook de ontdekking van hun geaardheid, en soms zelfs de eerste ontmoeting met andere holebi’s. Opvallend: veel van Espinels getuigen keerden na de studententijd niet terug naar hun geboortestad of -dorp.

Rue Vaseline

Misschien zou je verwachten dat de seksuele revolutie van de jaren 60 het klimaat voor holebi’s in Leuven verandert. Dat gebeurt niet helemaal. ‘Het grootste gedeelte bleef rond die tijd toch nog in de kast’, zegt Filip Heveraet, uitbater van het Leuvense holebicafé Rocco. Hoewel de seksuele revolutie een flinke boost geeft aan het zelfbewustzijn binnen de LGBT-gemeenschap en de klassieke visie op relaties ter discussie stelt, blijken holebi’s toch vooral grote steden als San Francisco, Parijs en Berlijn als toevluchtsoord te verkiezen.

Zanger Will Ferdy is in de jaren 70 de eerste bekende Vlaming die publiekelijk uit de kast komt. Weinigen volgen hem

In België zijn Antwerpen, Gent, Brussel en Luik de populaire steden. Antwerpen heeft een grote homoseksuele subcultuur in de jaren 60, 70 en 80. ‘In de beroemde Van Schoonovenstraat en de buurt daarrond was er de ene homobar na de andere’, zegt Heveraet. ‘Die buurt was erg sleezy en werd daarom ook wel de Rue Vaseline genoemd.’

De subcultuur blijft echter wel ondergronds. Op zanger Will Ferdy na zijn er in de jaren 70 weinig Vlamingen die publiekelijk uit de kast komen. Ferdy’s carrière ondervindt er trouwens de kwalijke gevolgen van: talloze parochiezalen zeggen hun contracten op. Dankzij de steun van de BRT kon hij toch professioneel blijven optreden.

In Leuven duurt het tot de jaren 90 voordat de LGBT-gemeenschap in de publieke ruimte verschijnt. Die intrede is niet onmiddellijk probleemloos: vaak leiden holebi’s een dubbelleven tussen hun vrienden uit de holebigemeenschap en de vrienden die ze in hun richting of elders maken. Voor velen onder hen is Leuven, dat vrijheidsparadijs in de transitie van jeugd naar volwassenheid, ook een plaats van discriminatie en uitsluiting. Deze tweedeling is bepalend voor de ‘queer space’.

Een bel en geblindeerde ruiten

In de jaren 70, 80 en 90 bestaan publieke ontmoetingsplaatsen voor holebi’s vooral uit een aantal cafés. De Oude Markt blijkt enkele bijzondere trekpleisters te bevatten. Café De Giraf heette vroeger De Bagatel en was een opvallende homobar. In café Oase schijnen lesbiennes zich erg thuis te voelen. ‘Het was een soort eiland’, beweert een getuige in Espinels scriptie. Het café wordt geleid door twee lesbische vrouwen en twee homoseksuele mannen, maar ook heteroseksuelen. Opvallend: er is een condoomautomaat, terwijl je die in andere kroegen aan de toog moest kopen.

Holebicafé Pieter Coutereel outte zich in de jaren 80 als vzw om Esperanto te promoten, maar het ene wat op die functie wijst, is een sticker binnen

Toch is het gemiddelde holebicafé allesbehalve publiek bekend. Typerend is café Pieter Coutereel, gelegen in de Vaartstraat: niets wijst erop dat het gebouw een café herbergt. De ramen zijn geblindeerd, en om binnen te komen moet je aanbellen. Het bestaan van het café doet de ronde via mond-tot-mondreclame. Oorspronkelijk outte Pieter Coutereel zich als vzw om Esperanto te promoten, maar het enige dat op die functie wijst, zo vertelt iemand aan Espinel, is een sticker in het gebouw zelf.

Eenzelfde sluier hangt rond El David in de Bondgenotenlaan en concurrent Keet in de Nerviërsstraat, dat later Exkeet zou heten. Beide cafés zijn ondertussen al lang gestopt.

Couperus en Cocteau (C&C), in de Diestsestraat, fungeert 15 jaar lang informeel als holebihuis. Met zachte jazz en klassieke muziek op de achtergrond spelen de klanten gezelschapspelletjes. Soms repeteert er een homo-a-capellakoor. Goede Spoor, een jeugdholebigroep voor mensen jonger dan 27 jaar (nu: &Of, voor jongeren tot 30 jaar, red.), organiseert er activiteiten.

In vergelijking met andere holebibars kan C&C trouwens opvallend lang open blijven. ‘De meeste bars bestaan niet langer dan twee jaar’, zegt Espinel. ‘Er is echter geen historicus die hun bestaan heeft gedocumenteerd. Zelf ken ik de meeste plaatsen slechts omdat mensen me erover hebben verteld.’

Seks in de bib

Niet alles is tot geheime cafés en de Oude Markt beperkt. Ook in de Leuvense openbare ruimte bevinden zich op dat moment geheime ontmoetingsplaatsen. Parken en publieke toiletten zijn voor holebi’s (maar uiteraard ook voor hetero’s) erg gebruikelijke plaatsen om te ‘cruisen’, het opzoeken van vluchtige seksuele contacten in de buitenlucht.

Een zeer populaire ‘ontmoetingsplaats’ in die tijd is het Ferdinand Smoldersplein: midden op het plein staat een standbeeld dat omringd is door bomen en struiken. Daarachter bevinden zich ondergrondse publieke toiletten die regelmatig dienen tot seksuele ontmoetingen. Tegenwoordig is het plein heraangelegd.

Vroeger was de galerij onder de Centrale Bibliotheek een populaire plaats voor holebi's om seks te hebben

Een andere populaire ruimte is het Bruulpark. Dat park verliest echter aan aantrekking wanneer de politie er begint te patrouilleren, waarschijnlijk omwille van klachten door buren. Tussen 2000 en 2006 zijn ontmoetingen in het park vooral tussen ouderen nog gebruikelijk. Later worden de struiken verwijderd, zodat de ruimte aan discretie verliest.

Misschien nog de meest verrassende plaats om te ‘cruisen’ is de galerij onder de Centrale Bibliotheek, die tegenwoordig gesloten is voor het publiek. Vroeger was de ruimte nog niet begrensd door glas zodat iedereen er kon binnenlopen. ‘Aan het gedrag van de mensen die er waren zag je dan wie er interesse had’, zo verklaart iemand in Espinels scriptie. ‘Op de toiletten waren ook dikwijls mannen aan het masturberen.’

De Roze Drempel

Via het verenigingsleven waagt de LGBT-gemeenschap een eerste grote stap in het publieke leven. De Leuvense Studentenwerkgroep Homofilie (LSWH) wordt, met de zegen van rector De Somer, in 1969 opgericht binnen de Universitaire Parochie. Het officiële bericht van de universiteit: ‘Voor de teach-in over homofilie die de Universitaire Parochie organiseert op woensdag 29 oktober te 20u15, moogt U beschikken over het auditorium B van het college 'De Valk'.’ Later krijgt de organisatie een ruimte in de Mariatheresiastraat, waar een boekenkast elke woensdagavond voor bar moet doorgaan.

Aan het eind van de jaren 70 verliest de organisatie slagkracht. Velen vinden dat de LSWH zich begint te spiegelen aan haar Gentse en Antwerpse collega’s, die eerder politiek gericht zijn. Moeten zij linkse activisten worden? De balans is moeilijk te vinden. Bovendien houdt de angstsfeer rond AIDS en andere seksuele aandoeningen de vereniging in een wurggreep, waardoor veel geïnteresseerden wegblijven. Uiteindelijk splitst de groep en worden haar activiteiten even stopgezet.

In 1981 verandert LSWH in ‘VZW Homocentrum De Roze Drempel’. Om de nieuwe naam in de verf te zetten wordt de drempel van de vestiging in de Maria-Theresiastraat roos geschilderd. De focus van de organisatie wordt breder: niet enkel homo’s, maar ook lesbiennes zijn vanaf dat moment welkom.

Het vrouwenfront

Verrassend genoeg zijn de Roze Drempel en Labyrint, een vrouwenorganisatie die overwegend uit lesbische vrouwen bestaat, in die jaren nauwelijks verbonden. De verklaring is misschien dat de Roze Drempel aan de Universitaire Parochie is opgericht, terwijl de wortels van Labyrint buiten de universiteit liggen, in een vrouwenhuis in de Maria-Theresiastraat. De organisatie telt ook heteroseksuele feministes, waardoor een link met de Roze Drempel niet noodzakelijk voor de hand hoeft te liggen.

Door de interne diversiteit ontstaat een kloof in het vrouwenfront: de lesbische vrouwen missen de solidariteit van de hetero's

Door de interne diversiteit ontstaat een kloof in het vrouwenfront. Christine Moens van Labyrint verwijst op pagina 4 van Veto 1621 naar de wijze waarop de feministische eisen geformuleerd worden. ‘Het onderscheid tussen lesbische en hetero-vrouwen staat hiermee in rechtstreeks verband. De politieke eisen van de ene groep vrouwen raken niet altijd de eisen van de andere. Meer nog de lesbische vrouwen missen de solidariteit van de hetero's.’

In de jaren 70 and 80 zijn er maar twee plaatsen in Leuven waar lesbische vrouwen naartoe kunnen om elkaar te ontmoeten: het vrouwenhuis en Pieter Coutereel, dat maandelijks het lesbische feestje Pot au Feu organiseert. Op de koop toe sluit het vrouwenhuis in het midden van de jaren 80 als gevolg van interne conflicten. Daarom huurt Labyrint een vrij anonieme plaats in de Visserstraat boven een bar die de Eagles heet.

De huur van de nieuwe bar is echter te hoog. In september 1991 vraagt Labyrint aan de kring van Psychologie om hun fakbar Shrink, in de Tiensestraat, te mogen gebruiken. Dat mag, maar als Shrink na vier jaar wil verbouwen, wordt Labyrint gedwongen om haar activiteiten op wisselende locaties te organiseren. Het lot van een haast verborgen organisatie.

‘Controversiële avonden’

De Roze Drempel kampt met gelijkaardige locatieproblemen, die binnen de universiteit moeilijk op te lossen vallen. In de jaren 70 kent LSWH nog geen noemenswaardige tegenwerking van het bewind onder rector Pieter De Somer. Na diens overlijden in 1985 en de evolutie binnen de Roze Drempel, die explicieter en politieker wordt, neemt de universiteit volgens Espinel echter een tussenpositie in. ‘Holebigroepen mochten binnen de universiteit bestaan, maar de KU Leuven hield zich wel afzijdig.’

In 1992 brengt De Somers opvolger, Roger Dillemans, 'Wegwijs Gezondheid' uit: in het boek wordt homoseksualiteit naast sadisme en incest gerangschikt

In 1992 brengt De Somers opvolger, Roger Dillemans, Wegwijs Gezondheid uit, een bestseller waarvoor hij echter de meeste teksten door zijn academici liet aanbrengen. Walter Pauli blikt in Campuskrant terug: ‘Onverwacht ontstond er grote heibel over het hoofdstukje ‘homoseksualiteit’. Het werd gerangschikt bij de ‘seksuele afwijkingen’ naast exhibitionisme, sadisme en incest. De ‘symptomen’ waren: ‘vastgeroeste puberteitsgewoonten’, ‘angst voor heteroseks’ en ‘dwangmasturbatie’.’

Als de werkelijke auteur van het stuk, het toenmalig hoofd van de dienst inwendige geneeskunde op Gasthuisberg, onder vuur komt te liggen, vervolgt Pauli, krijgt hij opvallend veel steun van de Leuvense professoren.

Eigenlijk begint het conflict tussen de universiteit en de Roze Drempel al in 1987. Nadat Roze Drempel jarenlang meewerkt aan de universitaire veertiendaagse rond relatievorming en seksualiteit, zegt de universiteit plots haar steun op. Vervolgens zet de Roze Drempel in mei 1987 haar eigen veertiendaagse op poten, samen met het Jongeren Advies Centrum (JAC) en het Vluchthuis. Tijdens die weken loopt het een en ander mis: gereserveerde lokalen zijn een kwartier voor het begin van een activiteit nog niet geopend, projectoren werken niet en aangevraagde microfoons zijn niet voorhanden.

Daar blijft het niet bij. Als gevolg van ‘controversiële avonden tijdens de veertiendaagse’ verbiedt Raf Masschelein, voorzitter van de Raad van Studentenvoorzieningen, de Roze Drempel om een infostand open te houden tijdens de inschrijvingen voor het nieuwe academiejaar in de Universiteitshal. Masschelein beweert verder dat hij een brief van de rector gekregen heeft, waarin zou staan dat ‘het onduldbaar is dat een dergelijke organisatie, die hopelijk niets te maken heeft met deze universiteit, zo’n avond (rond ‘ongewenste zwangerschap’, red.) organiseert.’ Contradictorisch genoeg blijft de KU Leuven de organisatie wel subsidiëren.

‘De KU Leuven pest homoseksuelen’

Het volgende jaar wil de Roze Drempel een nieuwe veertiendaagse organiseren in het Mgr. Sencie-Instituut, op de faculteit Letteren. Deze keer verwijst Raf Masschelein hen door naar Arenberg in Heverlee, netjes buiten het Leuvense centrum. Espinel merkt op dat dat kenmerkend is voor een kleine stad zonder undergroundcultuur als Leuven: wie naar de marge geduwd wordt, komt werkelijk buiten de stad terecht.

Ook buiten de veertiendaagse zoekt de Roze Drempel naar een betaalbare ruimte om regelmatig te kunnen samenkomen. Daarom vraagt het aan Katechetika, de kring van Theologie, of het elke vrijdagavond beroep kan doen op hun fakbar Peekaa in de Edward van Evenstraat. Het presidium keurt het voorstel bijna unaniem - 24 tegen 1 - goed.

Theologie-decaan Lambrecht denkt daar echter anders over. Op de volgende presidiumvergadering meent hij dat de toegang van ‘dergelijke gehandicapten’ tot de fakbar de naam van de faculteit zou besmeuren. Het standpunt van het presidium is volgens de decaan ‘onwijs’: ‘wij als faculteit zijn niet geroepen zo’n daad te stellen’. Raf Masschelein spreekt in een vurig betoog niet veel later dan weer over 'zieken' en 'een uiterst linkse organisatie'.’

Het conflict haalt de openbaarheid op 15 februari 1988 wanneer de voorpagina van Veto kopt: ‘KU Leuven pest homoseksuelen. Er is geen plaats meer in de herberg’. Huidig Knack-journalist Walter Pauli is de auteur. Het artikel klaagt de grimmige houding ten opzichte van het presidium aan. Zelfs de subsidies voor de kring zouden op de helling komen te staan.

Volgens het artikel laait het conflict zo hoog op dat de studenten van de faculteit vrezen voor hun werkgelegenheid. Er wordt immers gefluisterd dat zelfs de bisschoppen op de hoogte zouden zijn. Het antwoord van de studenten laat niet lang op zich wachten. Al snel circuleert binnen de faculteit een ophefmakende anonieme nota. Daarin spreken enkele studenten ‘materiële en psychologische intimidatie, terreur’.

De auteurs van de nota schrijven: ‘Het is een gevaarlijk precedent dat professoren zich bemoeien met interne studentenaangelegenheden, en vooral de wijze waarop. Men heeft niet alleen alle kalmte maar vooral elke stijl verloren. De herverkiezing van een aantal van deze mensen staat voor de deur. Het is dan ook een gepast tijdstip om enkele mensen om hun mening te vragen omtrent de gehele zaak.’

Op 7 maart publiceert Veto twee lezersbrieven (p.2) die al evenmin mals zijn voor decaan Lambrecht. Een anonieme student Godsdienstwetenschappen schrijft: ‘U durft deze anders-geaarden "sexueel geperverteerden", "fysisch gehandicapten" te noemen, en door "dergelijke mensen" aldus te etiquetteren plaatst u ze aan de rand van de "gewone wereld" van de "geronde mensen", en verworden ze tot godslasterlijke marginalen.’

Tijdens een nieuwe stemming blijft het praesidium bij zijn eerste standpunt: 18 mensen stemmen voor, er zijn 2 onthoudingen en 2 contra-stemmen. In het contract dat gesloten wordt, worden verschillende clausules opgenomen, die identificatie van de Roze Drempel met de fakbar uitsluiten. Twee jaar later vestigt de vereniging zich in Schrabbel, een jeugdcentrum aan de Vismarkt.

De ontwikkeling van een tegenstem

Daar krijgt de Roze Drempel tegenwind van het stadsbestuur. Veto (p. 2) vindt het contract met het jeugdhuis bijzonder beperkend: ‘nergens mocht de naam Schrabbel vermeld worden in verband met aktiviteiten, iedereen die op woensdagavond het jeugdhuis binnenkwam moest op de hoogte worden gebracht dat er een aktiviteit van de Roze Drempel plaatsvond en dat een stedelijk jeugdhuis daarmee zeker niets te maken had.’

Na anderhalf jaar mag de holebigroep ook in Schrabbel opkrassen. ‘Alles doet vermoeden dat de aangehaalde reden van het stadsbestuur (de vzw waar de Roze Drempel haar kontrakt had is opgedoekt en doordat er een nieuwe vzw in de plaats gekomen is kan het kontrakt niet meer gelden) slechts een dekmantel is voor een algemene afkeur tegenover het houden van een homokafee in een jeugdhuis.’

Om te vermijden dat anderen zouden zien wie geabonneerd is, zendt de Roze Drempel Nieuwsbrief zijn magazine soms in een gesloten envelop op

In alle heisa leert de Roze Drempel wel een tegenstem creëren tegen het centrale discours dat hen als zieken karakteriseert. In zijn nieuwsbrief werpt het resoluut de normativiteit van de Katholieke Universiteit van zich af. Interessant is trouwens dat ook die tegenstem grotendeels verborgen blijft: om ervoor te zorgen dat anderen niet zouden zien dat iemand geabonneerd is, geeft de redactie de mogelijkheid om het magazine in een gesloten envelop te ontvangen.

‘Ook Veto speelde een grote rol in publieke verspreiding van een meer welwillend discours naar de LGBT-gemeenschap toe’, aldus Espinel. ‘Het voorpagina-artikel zorgde ervoor dat mensen van de moeilijkheden hoorden waarmee holebi’s te maken kregen.’ Ook blijft Veto de activiteiten van de Roze Drempel in haar agenda opnemen, terwijl de universiteit dat niet meer doet.

Tijdens de jaren 90 vinden zowel de Roze Drempel als Labyrint uiteindelijk een bijna permanente plaats om vergaderingen en sociale activiteiten te organiseren: onder meer in het communistisch café, Masereelclub, gelegen in de Ierse Predikherenstraat, alsook in een vestiging in de Maria-Theresiastraat. Ook fuifzaal Albatros blijkt een aantrekkelijke locatie om feestjes te organiseren.

Twee pieten en twee tieten

Het eind van de jaren 90 blijkt een hoopgevende periode te zijn voor de holebigemeenschap. Op 23 januari 1999 verandert de Roze Drempel zijn naam in Driekant en wordt een werking voor holebi's boven de 26 jaar. De zusterwerking voor jongeren heet vanaf dan &of. De stad wordt van bovenaf aangemoedigd om een beleid uit te tekenen rond holebi’s. In 2003 wordt het Belgische huwelijk voor mensen van hetzelfde geslacht opengesteld.

In 1998 opent de Key West, tot voor enkele maanden het belangrijkste holebicafé in Leuven. De bar komt op de plaats van Seventh Sky (later 'de Valies'), dat gold als ontmoetingsplaats voor gescheiden mensen op zoek naar een nieuwe partner. De uitbater van het nieuwe café bezat eerder een broodjeszaak, waardoor het eerste cliënteel van de Key West voor een aanzienlijk deel uit diens oude klanten bestaat.

Voor velen is de eerste ervaring met Key West shockerend. Een getuige in Espinels scriptie vertelt hoe hij de eerste keer terugschrikt voor de expliciete taal van sommigen, alsook van de drag queen die hem aan de ingang opwacht. ‘Het was de donkerste plaats waar ik ooit gekomen was.’ De Veto-journalist die zich voor een reportage op de dansvloer waagt, documenteert een sterrenbol aan het plafond, enorme affiches met aankondigingen van een sinterklaasavond ('sinterklaas met zijn 2 pieten en 2 tieten') en een heuse kooi voor de liefhebbers. Toch is het café van bij aanvang erg succesvol.

In 2009 opent Rocco achter het station, aan het Holebihuis Vlaams-Brabant. Huidig uitbater Filip Heveraet was daarvoor al uitbater van C&C: ‘Toen C&C afgebroken werd, zochten we met alle organisaties naar een ruimte om een echt holebihuis op te richten.’ Net zoals bij het vorige café wou Heveraet met Rocco een alternatief bieden voor de ‘sleezy holebihoreca, waar het erop neer komt om te versieren.’ Meer dan een danstent is Rocco een gezellig praatcafé. ‘Niet alles draait hier rond seks, versieren en dansen. Dit is een kantine voor de holebigemeenschap.’

Horeca versus datingapps

Hoewel Rocco het hoofd boven water houdt, hebben specifieke cafés voor holebi’s aan belang verloren. De Roze Drempel is in 1995 de eerste Belgische holebivereniging die een eigen website start. In Espinels scriptie verklaart iemand hoe hij voor het eerst zijn homoseksuele geaardheid ontdekt door naar een datingwebsite te surfen. Op het moment dat hij voor zijn eerste blind date naar de Key West trekt, heeft hij nog niemand over zijn geaardheid verteld.

'Door de opkomst van apps heeft de holebihoreca zijn functie verloren'

Filip Heveraet, holebicafé Rocco

‘De holebihoreca heeft zijn functie verloren’, legt Filip Heveraet uit. ‘Terwijl de holebigemeenschap ooit op verborgen cafés moest rekenen om voor het eerst gelijkgestemden te ontmoeten, voorzien apps tegenwoordig in die behoefte.’ De Key West trekt in 2011 al zijn conclusies en sluit op dinsdag- en woensdagavond, twee minder succesvolle avonden, de deuren. Enkele maanden geleden sloot het café trouwens definitief.

Espinel benadrukt hoe moeilijk het vroeger was om andere holebi’s te contacteren in Leuven. ‘Tinder, Grindr (de homoversie van Tinder, red.), Her (zijn lesbische equivalent, red.) en het internet hebben die dingen zeker vergemakkelijkt. Ik denk dat de Grote Markt ook een ‘queer place’ geworden is, omdat daar 90% van de Grindr-dates plaatsvindt. Veel hangt af van de intentie. Als je een relatie of vriendschap verlangt, is die centrale plaats ideaal. Om te vrijen spreek je thuis af.’

In het straatbeeld aanwezig

En nu? Is de holebigemeenschap helemaal doorgedrongen tot de Leuvense publieke ruimte? Dat lijkt sterk uitgedrukt. Holebi’s hoeven geen geheime cafés meer in te richten om elkaar te ontmoeten, maar daarmee is alles nog niet peis en vree.

Espinel vindt het beleid van de KU Leuven over holebi’s tot op vandaag ambigu: ‘Ze bannen ons zeker niet, maar steunen ons ook niet helemaal. Een eerste vicerector voor Diversiteitsbeleid (Katlijn Malfliet, red.) was wel een goede stap. Recent werd in het Holebihuis ook voor het eerst een seminarie over LGBT-rechten georganiseerd voor masterstudenten Internationaal Recht. Dat is de eerste keer dat de universiteit naar hier komt, maar het initiatief kwam van de masterverantwoordelijke.’

De stad Leuven daarentegen lijkt het ophangen van de regenboogvlag meer te promoten. Filip Heveraet zag hiertoe een grote verandering optreden aan het einde van de jaren 90: ‘Pas toen kreeg de Belgische overheid interesse voor dit toch wel aanzienlijke deel van de bevolking.' Vanuit die overheidssteun begon de stad Leuven zelf ook in te zetten op haar holebi-populatie.

In 2000 start het eerste Holebifilmfestival in Leuven, dat geworteld is in de filmweek die het LSWH al bij haar tiende verjaardag op poten zette. Het is een essentiële gebeurtenis voor de Leuvense LGBT-gemeenschap, die ook de transitie uitdrukt van verborgenheid naar meer zichtbaarheid. Vorig jaar vond in Bibliotheek Tweebronnen een foto-expositie over transgenders plaats en ook dit weekend is de holebigemeenschap in het straatbeeld aanwezig: in de fameuze Reuzenstoet die door de straten trekt zal één van de reuzen regenboogkleuren dragen.

Conclusie

Het verhaal van de holebi-gemeenschap is er een van een moeizame doorbraak in de publieke ruimte. Lesbische, homo- en biseksuele groepen probeerden in Leuven een queer-cultuur te promoten via feestjes, films, boekpresentaties, conferenties en AIDS-preventie. Daarbij werden ze dikwijls geconfronteerd met hun door sommigen problematisch geachte status.

Op verborgen ontmoetingsplaatsen en via schriftelijke media leerde de Leuvense holebigemeenschap langzaamaan een stem ontwikkelen, die in conflict met de universiteit en de stad in het defensief werd gedwongen. Dat lijkt een stap terug, maar tegelijkertijd stimuleerde het conflict de mondigheid van holebi’s en kreeg het in de krant en in het debat een centrale plaats toegewezen. De late jaren 90 luidden voor de LGBT-gemeenschap een gunstiger klimaat in, waarin ze actief kon beginnen bijdragen aan het publieke discours.

Zijn de Leuvense holebi’s collectief uit de maatschappelijke kast gekomen? Waarschijnlijk niet, maar de verworvenheid van hun verschijning in de openbaarheid stemt hoopvol.

Gerelateerde Artikels