'Wij voelen ons soms behandeld als tweederangs werknemers'; artsen in opleiding trekken aan alarmbel

Vereniging artsen in opleiding pleit voor verbeterde rechten

21 October 2019
Artikel
Auteur(s): Daan Delespaul
Een werkweek van 60 uur, geen pensioenrechten en een ondermaatse verloning; het is dagelijkse kost voor de arts in opleiding. Koepelorgaan VASO pleit daarom voor een verbeterd statuut.

Aangezien arts-specialisten in opleiding, of ASO's in het kort, noch student, noch werknemer zijn, vallen ze in België onder een uitzonderlijk sociaal statuut. Dat 'Sui Generis-statuut' werd in 1983 ingevoerd als een overgangsmaatregel, maar werd vooralsnog niet aangepast. Het resultaat is een verouderde regelgeving die slechts minimale bescherming biedt voor een sowieso al kwetsbare groep.

Het merendeel van de artsen in opleiding is niet tevreden met die rechten. Anders dan de reguliere stagiair wordt de arts in opleiding wel beperkt verloond, maar de gewerkte jaren tellen bijvoorbeeld niet mee voor de pensioensopbouw. Tel daarbij dat sommige stages tot negen jaar kunnen duren en je komt tot een feitelijke pensioenleeftijd van 76 jaar.

Maar dat is niet het enige knelpunt: ASO's moeten het stellen zonder dertiende maand of vakantiegeld en hebben geen mogelijkheid tot palliatief of ouderschapsverlof of wettelijke regeling voor de terugbetaling van woon-werk-verkeer. Arts-specialisten hebben ook geen recht op een werkloosheidsuitkering, ondanks dat er door de vermindering van studiejaren van zeven tot zes jaar in bepaalde domeinen momenteel te veel artsen beschikbaar zijn, waardoor de arbeidsmarkt sterk verzadigd is. Daarnaast bestaat er geen minimumloon of wettelijk vastgelegd aantal vakantiedagen.

Als kers op de taart draaien ASO's meer uren per week dan een regulier bediendestatuut. Contracten kunnen tot werkweken van 48 tot 60 uren gaan, 22 uur boven de reguliere 38 uren-werkweek. Met een gemiddeld loon van 1950 euro, kom je zo ongeveer aan 9,47 euro per gewerkt uur.

'Ik denk dat iedereen wel ziet dat het zo niet verder kan, maar de vraag is altijd: wie gaat dat betalen?’'

Frederik Deman, VASO

De Vereniging voor Arts-Specialisten in Opleiding (VASO) trekt daarom aan de alarmbel. 'Wij voelen ons soms behandeld als tweederangs werknemer', getuigt Frederik Deman, voorzitter van VASO. 'Aangezien de opleidingen langer en langer worden merken we de laatste jaren dat er meer vraag is voor verbeterde rechten. Wij willen wel werken, maar die jaren als assistent werk je natuurlijk ook bijzonder hard. Wij willen toch op zijn minst dat dat dan ook erkend wordt als 'werk'.'

De laatste jaren werd geopperd om een upgrade van het statuut te bekostigen met een vermindering in loon. Dat is echter een no go voor de artsen zelf. 'Wij willen zeker niet klagen over onze verloning, hoewel die in de buurlanden wel hoger ligt,' gaat Deman verder, 'maar als je dat per uur bekijkt, verdienen we nagenoeg evenveel als het minimumloon. Om dan daarop te gaan besparen, vinden we een beetje alle schaamte voorbij.'

VASO pleit er daarom voor een collectieve arbeidsovereenkomst af te sluiten met duidelijke minimumvoorwaarden inzake loonvorming, zoals ook in Nederland gebeurt. Een volledig sociaal statuut zou een kostprijs opleveren van iets meer dan 30 miljoen euro. Deman merkt alvast dat er meer aandacht naar de problematiek gaat, maar blijft nuchter omtrent een oplossing: 'Ik denk dat iedereen wel ziet dat het zo niet verder kan, het blijft wat wachten op concrete voorstellen.'