Kortverhaal: Jozefien

Kortverhaal

09 december 2019
Artikel
Auteur(s): Mathieu Lonbois
Ik kies de mooiste tulp uit het tuiltje van de bloemiste. Ik reken af en vervolg mijn weg naar het station. Mijn eigen huis loop ik voorbij.

Nooit heb ik ergens anders gewoond dan hier. Mijn kinderen gingen naar dezelfde school als ik, maar dan zonder die serpenten van nonnen. Ze speelden in dezelfde straten als ikzelf al die jaren geleden. En net als alle kinderen ter wereld konden ze het goed vinden met hun leeftijdsgenootjes naast de deur, in hetzelfde huis waar mijn hartsvriendin woonde.

Verder dan die rosse van hiernaast kwam vake nooit. Jozefien liep nochtans onze deur plat met een nonchalance die ronduit brutaal was voor de tijdsgeest. Op mijn zolderkamer prikten we met spelden in onze wijsvingers tot ze bloedden. We daagden elkaar uit wie het langste plat op de sporen durfde te liggen tot de trein om de bocht in zicht kwam. Elke zondag waren we de nagel aan de doodskist van onze ouders wanneer we vanop de krakende kerkbanken gekke bekken naar elkaar trokken om na de dienst met onze paar franken zakgeld de kerk uit te spurten naar de snoepwinkel om de hoek.

Mijn neef Bruno verhuisde naar een straat verderop met zijn moeder, die van zijn vader was weggegaan. Het gebroken gezin was de schande van de familie en bij uitbreiding het dorp, maar dat kon Jozefien weinig schelen. Ze schoot goed op met Bruno. We deelden onze poppen met hem, speelden vanaf nu spelletjes met drie. Ik stelde mij er geen vragen bij toen ik hen op een dag met z’n tweeën de eendjes broodkruimels zag toegooien. Ik stelde ook geen vragen toen Jozefien mij poeslief vroeg of ik op mijn knieën wilde zitten met mijn ogen toe en mijn mond open, en ik hen allebei hoorde schateren voor ik Bruno’s urine eerst voelde, dan rook en dan pas proefde.

Op een dag kwam Jozefien niet naar huis voor het donker. In de schemering speelde ik met haar jojo op de trapjes naar het terras en ik hoorde haar moeders hakken bezorgd klik-klakken over de tuintegels. De gendarme stond de volgende ochtend vroeg aan de deur. Mijn buurman deed open. Ik had nog nooit een man zien huilen. Maar ons Fientje had niet afgezien, vertelde moeke terwijl ze ’s avonds de puree opschepte. Vorige week was in het dorp verderop een paard hetzelfde overkomen en die was op slag gedood door de klap van de trein.

Elk jaar sinds het voorval denk ik terug aan Jozefien. Dan trek ik mijn mantel en handschoenen aan en ga ik in de bloemenwinkel om een oranje tulp. Ik wandel de weg terug naar het station en leg de bloem op dezelfde plek waar Jozefien zo ongelukkig, zo vroegtijdig om het leven kwam. Dan ga ik op de brug boven de sporen staan, waar ik de tulp goed kan zien. Een trein dendert om de bocht voorbij. Ik blijf kijken.