Slaaf van de lente

Splinter

22 februari 2021
Splinter
Auteur(s): Vincent Cuypers
De lente juist benaderen is voor de melancholicus geen eenvoudige opdracht. Zo toont ook een van de sonnetten van Petrarca.

Alles lijkt goed te gaan: het is lente, de zachte westenwind is teruggekeerd, bloemen bloeien op, vogels fluiten en het land krijgt weer kleur. Maar plots slaat het gedicht om: heel het universum zingt van vrolijkheid, behalve Petrarca zelf, die zijn geliefde Laura moet missen en daar door het geluk van de buitenwereld des te hard mee wordt geconfronteerd. Als een pudding zakt heel de zaak in mekaar.

Nu is de zogenaamde volta, de wending, een belangrijk element van het sonnet: er is altijd een gevoelswisseling, een tegenstelling. En menig filosoof zou opwerpen dat het met het leven net zo is, dat het ook vol tegenstellingen zit, dat er geen licht kan bestaan zonder duisternis. Maar daar moeten we nu maar eens mee stoppen, want het zoeken naar tegenstellingen is de ziekte van onze tijd. De hedendaagse zwartkijker heeft geen petrarkisch liefdesverdriet nodig om zich tegenover de opbloeiende lente eenzaam te voelen. Zien we licht, dan zoeken we ons te pletter naar een spoor van duisternis om te kunnen besluiten dat het toch maar een illusie is. Is het lente, denken we meteen aan de herfst die volgen zal.

Zo werkt het echter niet. In zijn Fasti, een leerdicht over het verloop van het Romeinse jaar, vertelt Ovidius over een gesprek dat hij gehad zou hebben met Flora, de godin van de lente. Erg sympathiek komt ze daarbij niet over. Zo wijst ze er voortdurend op dat het dankzij haar is dat er bloemen zijn, dat er alleen door haar kleur is in de wereld. En ze vertelt hoe ooit de senaat het naliet om haar de nodige eer te bewijzen, waarop ze toch niet anders kon dan de bloemenpracht te laten vergaan! Wat had je nu gedacht?

Ik heb me lang afgevraagd wat Ovidius met deze atypische schets heeft willen zeggen, maar eigenlijk is het heel eenvoudig, en heeft Ovidius gelijk: de lente is ijdel, en wij hebben ons daar naar te schikken. De bloemenpracht is er niet voor ons, wij zijn er voor haar. En ze wil geen minnaar met twijfels, depressie, of nihilistische weemoed, maar iemand die zich overgeeft. De lente heeft er lak aan dat er een herfst volgt. Waarschijnlijk weten alleen oude, cynische bomen dat. Maar het sneeuwklokje, de krokus, de narcis, hebben daar geen idee van, en daarin ligt hun kracht. Het punt van de lente is net dat het nog geen herfst is. Nu is het licht, morgen pas is het donker. Mocht de natuur weten wat er zal volgen, ze zou er niet aan beginnen.

Volgens de Italiaanse renaissancefilosoof Giovanni Pico della Mirandola had God de mens eerst niet voorzien in de schepping. Maar toen de hele aarde klaar was, met alle bergen en planten en dieren, had God door dat er niemand was om al dat moois te bekijken, en dat het zo maar treurig was. Daarom schiep hij de mens, om die taak op zich te nemen. Dat we daarbij niet echt een plaats hebben in de schepping, er half deel van, maar half ook niet, moeten we er maar bijnemen. Het lijkt echter dat we die taak hebben verwaarloosd. We zien alleen nog het verleden en een vermeende toekomst.

Toch kan het bevrijdend zijn om ons aan die taak, het bekijken en bewonderen van de werkelijkheid, zoals ze op dat moment is, over te geven. Wij zijn nu eenmaal slaven van de schoonheid, en het heeft weinig zin aan die ketens te willen ontsnappen. Wie wil er vrij zijn in een wereld zonder gevoel? Het werkt in twee richtingen. Wie de lente minacht, is gedoemd om weg te kwijnen. Maar voor wie haar lokroep beantwoordt, haar trouw dient en haar bezingt zoals het hoort, lonkt het paradijs. Het is daarbij vooral een kwestie van vastberadenheid. Voor wie vastberaden is, maakt één zwaluw de lente wél.