Brood en spelen

Splinter

16 november 2020
Splinter
Auteur(s): Jan Costers
Al enkele maanden klinkt de vraag waarom voetballers en wielrenners wekelijkse of dagelijkse covid-testen krijgen om toch maar verder te kunnen sporten. Een privilege of eerder noodzakelijkheid?

Vorige maand klaagde Herman Goossens dat het fenomeen van de 'luxetests' – waarbij sporters meerdere keren per week getest worden en zeer snel resultaat krijgen – in de huidige omstandigheden onverantwoord was. Hij riep de voetbalclubs zelfs op om de competitie on hold te zetten 'als gebaar naar de samenleving'. Want waarom zouden die rijke sjotters voorrang moeten krijgen op de testen? De man in de straat heeft het ook moeilijk en moet nu ook eens langer op antwoord wachten door die luxetests. Alweer een voordeel voor die omhooggevallen vedetten, zou je dan denken.

De realiteit toont echter het tegendeel. In een artikel over die luxetests legde Sporza al bloot dat deze tests slechts een fractie van alle testen bevatten – 0,3% om precies te zijn – en dat deze testen bovendien geen voorrang kregen tegenover de normale testen in de testcentra. De woorden van Goossens kunnen we zo classificeren als een gevoelsreactie die we kunnen counteren met statistieken en feiten. De kous is af, zou je dan denken.

Alweer niet. Want zelfs na het horen van deze cijfers vindt minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke dat er misschien wat meer solidariteit moet zijn vanuit de sportieve sector. Alweer weerklinken de profetische woorden van Michael Gove van tijdens de Brexit-verkiezingen: 'People are tired of experts.' Zelfs wanneer de mensen met kennis van zaken ons uitleggen dat er van een mug een olifant gemaakt wordt, bouwen we liever verder aan grote omheiningen dan dat we van tactiek veranderen en insectenspray inslaan.

Als er iets is waar de man in de straat in deze sombere tijden nood aan heeft, dan is het wel afleiding

De klachten vanuit de horeca- en de cultuurwereld over de sluiting van hun sector zijn begrijpelijk, maar het argument 'als zij dat mogen, waarom wij dan niet?' houdt weinig inhoudelijke steek. In tegenstelling tot de horeca en de cultuur kunnen sportwedstrijden wel degelijk doorgaan zonder publiek. De beleving is uiteraard een pak minder, maar de mogelijkheid tot besmetting is tot een minimum beperkt. Een wisselende stroom van klanten en publiek blijft een potentiële broeihaard van besmettingen.

Maar al deze klachten verliezen ook het grootste belang van deze sportwedstrijden uit het oog. Het economische aspect even buiten beschouwing gelaten – dat uiteraard ook meespeelt – is er de ontspannende kracht van het kijken naar sport. Want als er iets is waar de man in de straat in deze sombere momenten nood aan heeft, dan is het wel afleiding. Als hij in het weekend naar zijn koning koers of keizer voetbal kan kijken, dan wacht de sportfan met plezier een dag langer op de resultaten van zijn test.

Juvenalis wist een kleine tweeduizend jaar geleden al dat het volk zich koest hield als het maar brood werd uitgedeeld en spelen georganiseerd. En dat we cultuur dan laten vallen in het nadeel van sport zullen we dan wel toeschrijven aan het smaakverlies dat gepaard gaat met corona. Of hoe dacht u dat The Masked Singer anders aan 2 miljoen kijkers zou geraken? Ik zet mij elk weekend alvast met plezier voor het tv-scherm om met een pintje in de hand negentig minuten lang deze dystopische wereld te vergeten. Schol!