Mediaprof zijn kan je duur komen te staan

‘Als universiteit moet je de maatschappij niet dienen, maar juist dwars zitten’

02 mei 2018
Artikel
Auteur(s): Nora Sleiderink
Maatschappelijke dienstverlening is een van de drie basistaken van de academicus, maar moet vaak het onderspit delven voor onderzoek en onderwijs. Daar denken deze mediaproffen anders over.

‘Universiteit van Vlaanderen’, ‘Ik Heb Een Vraag’ en het kersverse FWO-project ‘Vragen voor de Wetenschap’ maken duidelijk: wetenschapscommunicatie is up and coming. Je als academicus mengen in het maatschappelijk debat gaat nochtans niet zonder slag of stoot, zo getuigen mediaproffen.

Taak van de universiteit

Deelnemen aan het publieke debat gaat immers verder dan zuivere wetenschapscommunicatie. Proffen vindt men ook terug in tv-debatten of als auteur van opiniestukken in de krant. Zo schreef Jo Tollebeek, historicus en decaan van de faculteit Letteren, recent een opiniestuk over de erfenis van mei ’68 en Leuven Vlaams. ‘Ik zie dat als iets dat ook tot de taken van een academicus kan behoren: een public engagement. Als academicus kan je de autoriteit van de wetenschap uitdragen op terreinen waar dat soms niet vanzelfsprekend is.

Voor Tollebeek gaat het niet enkel over de zuivere vertaling van kennis naar een lager niveau, maar ook kritisch staan ten opzichte van wat leeft. ‘In die zin denk ik dat je de maatschappij niet louter moet dienen, maar juist ook dwars zitten’, zegt Tollebeek. ‘Je moet het politici, opiniemakers en journalisten juist moeilijk maken om zomaar om het even wat te zeggen.’ Zo wordt het maatschappelijk debat verdiept en versterkt. Wetenschappers brengen nuance in complexe verhalen.

Ook toxicoloog Jan Tytgat stelt zijn expertise graag ten dienste van het debat. ‘Er gaat geen dag voorbij of ik word wel op televisie, op de radio of in een krant vermeld.’ De prof ziet het als de taak van de universiteit om dat te doen. ‘Ik voel me bevoorrecht dat ik dankzij belastinggeld aan onderzoek mag doen, dus ik vind het persoonlijk belangrijk om iets terug te kunnen doen, in de vorm van wetenschapscommunicatie.’

Bekende Vlaming

Een ander verhaal is natuurlijk wanneer een prof BV wordt. Ook in populaire programma’s die niet gericht zijn op zuivere wetenschapscommunicatie, zoals Topdokters, staan academici vaak centraal. Toch kan ook dat je onderzoek en maatschappelijke dienstverlening dienen, weet Magaly Rodríguez García. ‘Door zo’n deelname raak je onmiddellijk bekend.’ Na haar deelname aan De Slimste Mens ter Wereld vloeiden de interviews binnen.

‘Knack, Het Laatste Nieuws, regionieuws… Een hele pagina krijgen om jouw expertise voor te stellen in een krant die door twee miljoen mensen wordt gelezen, is een enorme luxe', weet Rodríguez. Eenmaal de media weten rond welke thematieken je werkt, staat je telefoonnummer in hun databanken en zul je te pas (en te onpas) gebeld worden voor duiding, zo bevestigen alle mediaproffen.

All-round intellectueel

Dat brengt wel vragen mee omtrent waar een academicus zich precies over mag uitspreken. Die discussie leeft momenteel hevig: een Belgisch collectief, onder andere getrokken door de Leuvense prof Yves Moreau, pleit voor meer maatschappelijk engagement bij academici. Opvallend: dat moet volgens de intiatiefnemers ook buiten de eigen academische expertise om kunnen. Daar bestaat geen consensus over: de meeste proffen die we contacteren, beperken zich liever tot de eigen expertise, of thematieken waar ze om specifieke redenen goed vertrouwd mee zijn.

Volgens Tollebeek moet dat ook in het licht worden gezien van interdisciplinariteit. ‘De huidige disciplines zijn uiteraard zeer sterk. Het zijn negentiende-eeuwse dinosaurussen die door ons kennislandschap marcheren’, zegt de decaan. Een recentere wending probeert nu niet meer in disciplines, wel in problematieken te denken. ‘Voedsel, klimaat, migratie… Dat zijn geen disciplines, maar problemen, die per definitie enkel interdisciplinair kunnen worden opgelost.’ Hij pleit voor een mengeling van enerzijds een standpunt durven innemen, anderzijds nuance in het debat brengen.

Afgunst

Maar een mediaprof zijn kan je ook duur te komen staan. Professor Jan Tytgat kent men immers niet alleen als expert bij drugsmisbruik of de fipronilcrisis. De prof zoekt immers graag ook de media op om zijn ongenoegen te uiten over de represailles die hij naar eigen zeggen te verduren krijgt.

‘Er zijn collega’s die het door jaloezie moeilijk kunnen verkroppen dat je meer bekend bent dan hen, hoewel zij een hogere functie bekleden’, zegt Tytgat. ‘Hoe meer je in de media komt, hoe meer je op je eigen onderzoeksniveau wordt geïsoleerd. Je krijgt geen steun meer omdat ze zeggen: hij is al bekend, hij zal wel connecties en middelen genoeg hebben, dus zelf gaan we hem niets meer geven, of het zelfs afpakken.’

Een kleine rondvraag bij andere mediaproffen doet niet vermoeden dat het een breder probleem is. ‘Afgunst is er altijd in de academische wereld, maar die is er op elk vlak’, zegt Tollebeek.

CV-jagers

Ook Rodríguez had schrik voor negatieve reacties van collega’s door haar deelname aan De Slimste Mens, maar bleek aangenaam verrast. Toch is dat niet vanzelfsprekend. ‘Het is een risico dat je neemt. Ik denk dat veel academici daarom weigerachtig staan tegenover de media: je krijgt per definitie reacties en die zijn niet altijd van de leukste.’

Mediaoptredens liggen dus niet iedereen, en dat hoeft ook niet. ‘Mensen mogen niet gestraft worden als ze dat niet doen,’ stelt Tollebeek. ‘Maar omgekeerd: als mensen dat wél doen, vind ik ook dat ze daarvoor moeten beloond worden in hun academisch dossier.’ Collega’s leveren vaak de kritiek dat ze wel een stuk voor een krant willen schrijven of aan een debat deelnemen. ‘Maar als ze later bevordering vragen, telt dat nooit mee. Dat vind ik niet correct. Het is een deel van je engagement, maar het is ook een deel van je job.’

Jogchum Vrielink schrijft essays voor De Morgen en treedt vaak in de media op voor juridische duiding. Hij heeft zelf ervaringen gehad waarbij zijn maatschappelijk engagement een negatieve impact had. ‘Bij een beursaanvraag had de evaluerende commissie gesteld dat ik een sterke publicatielijst had in vergelijking met anderen, maar dat het nog beter had kunnen zijn als ik me - geparafraseerd - niet had beziggehouden met die populariserende en opiniërende mediaonzin’, kaart hij aan.

‘Maar hoe dat netto uitpakt, durf ik niet te zeggen’, nuanceert hij meteen. Zijn huidige aanstelling dankt hij juist aan een selectiecommissie die veel waarde hechtte aan zijn maatschappelijk engagement. ‘Tegelijkertijd gaan er dus ook deuren open.’