Navraag: Wim Mertens

‘Ik wil muziek maken voor ‘the common man’'

12 december 2016
Interview
Hij werd bij de jongere generatie bekend met zijn Proximus-deuntje, maar er schuilt heel wat meer achter componist Wim Mertens. Op 7 december gaf hij een concert in het Maria-Theresiacollege.

Wim Mertens spreekt al decennialang liefhebbers aan met een gevarieerd en uiteenlopend oeuvre. Recent bracht hij zijn nieuwe album Dust of Truths uit. Veto sprak hem voor zijn concert van 7 december in het kader van UUR KULtUUR.

Je hebt muziekstukken in verschillende vormen en formaten gecomponeerd. Hoe zou je jezelf als artiest omschrijven?
Wim Mertens: 'Niet standaard. Dat is de enige omschrijving. Het is van belang dat er nu muzikanten opstaan die gebruik maken van onze Westerse muziektraditie. We hebben misschien het meest interessante muzieknotatiesysteem sinds 1500, maar muziek vandaag is niet alleen notatie. Vanuit die optiek gebruik ik liever de term ‘niet-gestandaardiseerd’. Ik gebruik waarschijnlijk heel veel dingen uit die lange West-Europese traditie, maar we wijken er ook heel sterk van af. En die twee zijn noodzakelijk om echt een aansluiting te kunnen vinden met het publiek van vandaag.'

'In de jaren 60 wou iedereen zijn eigen orkest en zijn eigen dirigentje spelen: er werd te weinig impuls gegeven aan jonge componisten'

Struggle for Pleasure werd in 2000 gebruikt in een reclame van Proximus en verwierf toen een enorme bekendheid in België. Hoe sta je er tegenover dat je steeds hetzelfde nummer moet spelen, terwijl je een enorm groot oeuvre gecomponeerd hebt?
'Dat heeft enorm veel voordelen en nadelen. Gelukkig is het nummer een kat die al heel veel verschillende levens heeft gehad. Ten eerste: ik heb het nummer in 1982 opgenomen. Toen werd het nauwelijks opgemerkt en gedurende zes jaar hebben we het ook nooit live gespeeld. De eerste grote doorbraak van het nummer is gekomen in ‘86 met de film van Peter Greenaway, The Belly of an Architect. Proximus was dus eigenlijk veel later.'

'Mijn eerste successen in België zijn laat gekomen, pas de eind jaren ‘80. Sindsdien is het een verhouding van één derde België en twee derde buitenland. En dat is ook goed, een componist moet een beetje het publiek vinden, je moet feedback krijgen. Ik heb die de eerste tien jaren niet in België gevonden, maar wel in andere landen. Door die energie, feedback en interesse ben ik op de pedaal blijven staan en ben ik non-stop in een productieproces van componeren gebleven tot op de dag van vandaag.'

Je speelt zowel solo als met ensembles en orkesten. Heb je tijdens het componeren al een bepaalde werkvorm voor ogen of ontstaat dat pas geleidelijk?
'Dat is een heel muzikaal interessante vraag. Ik durf echt bijna zeggen dat als ik iets componeer, ik nooit een instrumentatie voor ogen heb. Nooit. Ik overdrijf misschien een beetje, uiteraard als ik aan een soloproject begin met enkel stem en piano, dan is het dat.'

'De meeste klassieke componisten leggen hun blad open en die zeggen, ‘ik schrijf voor een blaaskwintet of een strijkersensemble’. Ik wilde ergens die traditionele hiërarchie afbouwen, doorbreken, kijken of er niet andere accenten naar voren komen, om de muziek los te krijgen van zijn traditioneel syntactische bepaaldheid. De titel van mijn masterscriptie voor Politiek en Sociale Wetenschappen in 1975 zegt al heel veel: ‘Non-narratief en niet-teleologisch’. Teleologie is als je een doel hebt. Een doel wordt eerst vastgelegd en je gaat daar naartoe. De titel van mijn thesis was ‘niet-teleologisch’, dat wil zeggen dat je meer het toeval en risico in het spel van het muzikaal beeld probeert te krijgen. Maar dat stelde eigenlijk nog niet zoveel voor hoor, die scriptie.'

Het voortbestaan van de muziek

Veel jonge muzikanten kunnen je muziek al smaken, het motiveert hen ook om zelf te blijven oefenen. Wat maakt je muziek zo toegankelijk en inspirerend?
'In ‘84 had ik een titel Maximizing The Audience, dat werd me absoluut niet in dank afgenomen. Want de hedendaagse muziek van ‘84 was werkelijk elitair bedoeld en dus kreeg ik tegenkantingen van alle kanten. Ik heb vandaag het gevoel dat ik muziek wil maken voor the common man, en dat dat altijd zo geweest is. Ik ga er vanuit dat er in hedendaagse muziek meer toegankelijkheid is voor mensen die met muziek willen omgaan, jonge componisten, zowel amateurs als professionals.'

'Er is een enorme radicale democratisering van de middelen. Na de jaren ‘50 kregen we een klimaat waarin - veronderstel dat ik een beetje talent had - niemand mij zou opzoeken en dwingen: ‘maak eens iets voor ons’. Dat ging toen helemaal niet zo. En dat heeft alles te maken met de standaard, met de canon, die onder meer verkondigd wordt door Klara. Ik zeg u dat men zich grondig vergist en vergist heeft, en dat er niets belangrijker is voor jullie generatie dan dat er jonge mensen opstaan en zeggen: ‘Ik wil grip krijgen, ik wil proberen ritmisch, melodisch en harmonisch een performance te geven met wat er nu in de lucht hangt’. En er zijn talenten die dat kunnen vastpakken: onder andere ik, maar er zijn er veel meer.'

'Al de rest is dus een doodlopende straat. Vlaamse beleidsmakers zijn daar schitterend ingetuind en hebben dus vanaf 1960-70 heel de oude muziek gesteund. Iedereen wou zijn eigen orkest en wou zijn eigen dirigentje spelen en men heeft veel te weinig impuls gegeven aan jonge componisten. Het is nodig dat wij nu ook, vandaag, jonge muzikanten gaan volgen, steunen en beluisteren. Het is cruciaal voor het voortbestaan van de muziek. Dat zal niet de klassieke muziek zijn, die is niet meer aan de orde vandaag. Dat is een enorme switch die de Veto-lezers toch ook moeten aanvoelen.'

'In ‘84 in Tokio heb ik voor het eerst solo piano gespeeld en ben ik beginnen zingen: het was ver genoeg van huis zodat niemand mij zou kunnen uitlachen'

Je zingt in een soort zelfverzonnen taal. Waarom? Wat heeft je daartoe geïnspireerd?
'Tijdens de opname van Close Cover heb ik aan de engineer gevraagd om alle lichten in de studio uit te doen. En toen, daar in het donker, heb ik twee lange noten gezongen. Je hoort ze nog steeds in Close Cover, want er is maar één versie van het nummer opgenomen. Dat was eigenlijk de allereerste vocale opname. Ik kon niet zingen, ik durfde niet zingen, ik had een hoge stem. Wat ik wel al gemerkt had was dat, toen ik Struggle for Pleasure componeerde, ik dat eerst zong. Ik zong die lijnen van de sopraansax, ik zong dat terwijl ik piano speelde.'

'Het kwam ook goed van pas dat er iemand iets zong. We hadden geen budget om met vijf of tien mensen te gaan. Dus zong ik een aantal lijnen, die ook in de compositie zaten maar waarvoor ik toen geen instrument had. Zo is dat eigenlijk ontstaan. In ‘84 ben ik naar Tokio gegaan. Daar heb ik voor de eerste keer solo piano gespeeld en ben ik gewoon beginnen zingen. Het was ook ver genoeg van huis zodat niemand mij zou kunnen uitlachen. Dus daar heb ik de stap gezet en zo is het gebleven. Later heb ik er elementen uit het Frans, Nederlands en Latijn in gebracht. Regelmatig zijn er mensen die zich afvragen wat ik zing. Toch is het een taal die gebonden is, vind ik, aan deze contreien. Mocht iemand uit bijvoorbeeld IJsland iets gelijkaardigs doen, dan klinkt dat meteen helemaal anders.'

Je hebt daarnet gezegd dat een componist respons van het publiek nodig heeft om verder te kunnen blijven gaan. Is dat ook waar je na al die jaren nog inspiratie uit haalt?
'Ik zou het niet weten. Het zal ook stoppen op een dag. Laten we dat woord ‘inspiratie’ ook niet overschatten. Je kan daar prachtige boeken over schrijven, inspiratie is zo mooi. Maar mij zegt het niet veel. Ik denk dat inspiratie er is wanneer jij de ervaring hebt dat het werkt. Het werkt als compositie, het werkt als concert, het werkt als stuk. Maar voor mij heeft het eerder iets te maken met dat ik niets opsplits. Wel, je kan geen enkele compositie tot een goed einde brengen, als je niet drie of vier of vijf noten of twee maten hebt als inwendige zang of inwendig gehoor. Dat kunnen de vier noten van Struggle for Pleasure zijn. Zo heeft iedere compositie een onaantastbaar ongesplitst elementje. Dat manifesteert zich ook alleen maar op de meest onverwachte momenten. In mijn geval, meestal eerder avond of 's nachts. Als dat er is, dan ben je vertrokken.'

Zwak Europa

Je hebt in de afgelopen twee jaar een trilogie samengesteld, Cran aux Oeufs. Waarover gaat dat?
'In 2014 werd ik gevraagd om een concert te spelen op een archeologische site in Preveza, Griekenland, waar nog nooit een concert heeft mogen plaatsvinden omdat dat een heel fragiele site is. Het publiek keek op de Ionische Zee, dat was ongelooflijk. Toen ik terugkwam van dat concert was ik echt de kluts kwijt. Er zit zo’n onwaarschijnlijk verhaal achter die site. Dan heb ik het idee gehad: één keer in mijn leven wil ik een project maken waar gerust het woord culturele politiek mag vallen. Dus mijn eerste project, Charaktersketch, is een schets van Europa. Een schets is iets wat nog niet af is, het is geen thesis of een eindwerk. Ik kies een zwakke vorm omdat Europa zwakker is. Het tweede deel What are we, locks, to do gaat over de poëet Callimachus, alle titels komen uit zijn werken. Het laatste deel Dust of Truths, gaat over de slag bij Actium.'

'Maar nu hebben we dit: hoe zetten we nu de stap naar Cran aux Oeufs? Op de afbeelding van het album staat een steen. Die steen heb ik gevonden op een plaats die Cran aux Oeufs heet. Dat is een locatie van 150 miljoen jaar oud waar eivormige stenen liggen. Cran aux Oeufs is synoniem voor wat jij inspiratie noemt, of wat ik zou noemen met een woord dat ik zelf uitgevonden heb: ‘ratteketak’. Daar moet je mee lachen, dat is een goede reflex.'

Heb je al plannen voor nieuwe composities?
'Ik heb nog twee dingen nodig, en die zijn allebei de laatste maand gearriveerd: ik wil een gesprek aangaan met geologen en ik ben benaderd door de Europese top van synthetische biologie en nanotechnologie om het verhaal gestalte te geven. Mijn manier van werken heeft heel veel te maken met het zoeken naar het kleinste deeltje. Je hoeft daar geen vragen over te stellen, maar die twee, samen met geologie, moeten in het spel komen.'

Morgen speel je een concert in het MTC. Wat verwacht je daarvan?
'Ik ga morgen het concert doen, en voor mij is het een heel speciaal concert, want in die zaal heb ik ooit de jazzpianist Cecil Taylor uitgenodigd, die de Kyotoprijs van één miljoen heeft gekregen vorig jaar. Michael Nyman (componist van filmmuziek voor o.a. The Piano, red.) is toen ook gekomen. Maar ook Terry Riley, die toen elektrisch Yamaha-orgel speelde, gezeten in de lotushouding, heeft daar een volledig concert gespeeld. Ik denk niet dat ik sindsdien nog in de zaal ben geweest. Ik heb er zelf ook nog wat filosofiecursussen gehad. Al die grote cursussen met veel faculteiten samen werden daar gegeven, dus ik ben heel benieuwd. Dat wordt heel speciaal, voor mij alleszins.'

'Morgen ga ik Dust of Truths solo spelen, de eerste keer in België. Ik ga gewoon de stukken in volgorde spelen, van één tot elf, met piano en stem. Dat is nog maar de tweede performance, dus dat zou goed moeten zitten, voor de studenten van Leuven. We zullen zien of die daar een beetje gevoeligheid voor hebben.'