Alternatieve onderwijsvorm bij faculteit Wetenschappen geëvalueerd

Beter leren, veel stress

01 oktober 2016
Artikel
Minder lesuren, een kortere examenperiode… Met OASE wil de faculteit Wetenschappen haar voortrekkersrol als onderwijsinnovator binnen de KU Leuven onderstrepen. Tijd voor een evaluatie.

In het academiejaar 2013-2014 startte de faculteit Wetenschappen met het OASE-project in de eerste fase van de bachelor fysica en wiskunde. Eind vorig jaar werd het project afgesloten en geëvalueerd. Wat zijn de resultaten na drie jaar experiment? Wat wordt er met de resultaten gedaan?

Wat is OASE?

Met de invoering van OASE (‘Onderwijsorganisatie met Alternatieve Semesterindeling en Evaluatie’) wilde de faculteit Wetenschappen komaf maken met enkele pijnpunten van het klassieke onderwijsmodel. De faculteit sleutelde hiervoor aan de huidige semesterindeling in dertien weken les en vier weken examens en blok.

OASE programmeert één OPO (opleidingsonderdeel) per dag gedurende vijftien lesweken, daarna volgt een blok- en examenperiode van twee weken. Tijdens de lesweken is er per dag een maximum van vier uren aan contactmomenten (colleges en oefenzittingen). Ten slotte worden klassieke examens voor een deel vervangen door permanente evaluatie.

Een kleiner aantal contactmomenten moet intensiever en met meer interactie ingaan op de leerstof

Krachtlijnen

OASE is gebouwd op drie krachtlijnen, die elk een probleem van het huidige onderwijs, althans volgens de faculteit Wetenschappen, moeten oplossen.

  1. Veel studenten kunnen tijdens de lesweken en colleges de leerstof niet tijdig verwerken, waardoor contactmomenten (en dus klassieke hoorcolleges) minder nuttig worden. Het grootste deel van het leerproces gebeurt tijdens de blok, wanneer het contact met docenten erg beperkt is. OASE wou het leerproces en de begeleiding van studenten beter op elkaar afstemmen door tussen de lessen door meer ruimte voor zelfstudie te geven.
  2. Studenten worden in het huidige systeem te weinig aangemoedigd om lessen voor te bereiden, vindt de faculteit. Alle leerstof wordt tijdens een groot aantal colleges overgedragen en de verwerking moet nadien gebeuren, hoewel de tijd daarvoor meestal ontbreekt. OASE vervangt het huidige presentatie-assimilatiemodel door een voorbereidings-feedbackmodel (het zogenaamde flipped classroom-model). Een kleiner aantal contactmomenten moet intensiever en met meer interactie ingaan op de leerstof, in plaats van die gewoon te beschrijven. Hierdoor is er meer tijd voor zelfstudie en een grondige voorbereiding.
  3. De blokperiode is voor studenten erg stresserend. Die piekbelasting wordt bij OASE gespreid over het hele jaar door meer permanente evaluatie. Zo moeten studenten bij ‘formatieve evaluatie’ tijdens de voorbereiding zelf oplossingen voor oefeningen zoeken. Die oplossingen worden vervolgens in het contactmoment uitgebreid besproken. Daarnaast komt er ook meer ‘summatieve evaluatie’: toets- en feedbackmomenten die meetellen voor de eindscore.

Het OASE-project heeft al een lange weg afgelegd. Na een haalbaarheidsstudie van de faculteit bleek duidelijk dat er nood was aan een alternatief onderwijssysteem. Vervolgens gingen de initiatiefnemers na hoe het nieuwe systeem te implementeren. OASE werd gedurende twee jaar (van 2011 tot 2013) voorbereid en de daaropvolgende twee jaar (van 2013 tot 2015) effectief ingevoerd in de eerste bachelorfase wiskunde en fysica.

De evaluatie

In maart dit jaar werd het eindrapport gepubliceerd met daarin een uitgebreide evaluatie van het project. Professor Peter Lievens, promotor van OASE en decaan van de faculteit Wetenschappen, is zeer tevreden over het project: ‘In het OASE-model is er meer gesprek en interactie in de lessen. Studenten krijgen de reflex om echt aan de slag te gaan met de leerstof die aangeboden wordt.’

De evaluatie van OASE gebeurde zowel kwantitatief, bijvoorbeeld op basis van de studieresultaten, als kwalitatief, door bevragingen. ‘We peilden naar de meningen van studenten en docenten. De meesten zijn erg enthousiast', vertelt professor Lievens. Maar hoe goed doet OASE het nu eigenlijk op haar drie voordien uitgestippelde krachtlijnen? En wat zeggen de cijfers?


Op het vlak van studie-efficiëntie boekt OASE geen spectaculaire resultaten

Stress blijft

  1. Allereerst moest OASE de lessen en het leerproces van de studenten meer gelijk laten lopen. Hiervoor werd het uurrooster gewijzigd en kwamen er dagelijks al dan niet begeleide zelfstudiesessies. Die aanpak werpt nu zijn vruchten af, zo blijkt. Uit bevragingen van zowel studenten als docenten komt naar voren dat studenten al vanaf het begin van het academiejaar aan de slag gaan met de leerstof en veel minder uitstelgedrag vertonen. Bovendien zorgen intense interactiemomenten met monitoren en assistenten ervoor dat studenten meteen weten wat er van hen verwacht werd.
  2. De tweede krachtlijn van OASE is de nadruk op voorbereiding en feedback. Ook die doelstelling is zichtbaar in de praktijk. Didactische teams denken beter na over wanneer ze oefeningen opgeven, hoe die oefeningen eruit moeten zien en hoe feedback wordt gegeven.

    De aanpak verschilt echter sterk van vak tot vak. Bij sommige OPO’s is er telkens maar een korte voorbereiding nodig. Andere lessen zijn dan weer volledig gericht zijn op vragen die tijdens de voorbereiding bij studenten opkomen. De grote verschillen tussen de vakken zorgen bij studenten soms voor onduidelijkheid wat er nu precies van hen verwacht wordt. Uit schriftelijke bevragingen blijkt wel dat ze de leerstof beter begrijpen door die eerst voor te bereiden. Bovendien zorgt een meer uitgebreide voorbereiding voor een actieve, onderzoekende houding, al nam die voor sommige studenten ook te veel tijd in beslag.
  3. Het toepassen van permanente evaluatie, de derde krachtlijn van OASE, leidt tot meer problemen. Tijdens de week waarin een vak geëvalueerd wordt, focussen studenten te veel op de toetsen. Dat gaat ten koste van de voorbereiding van andere vakken en zorgt op den duur ook voor toenemende stress.

'We weten nog niet genoeg over de studenten die op het nippertje wel of niet meekunnen'

Peter Lievens, decaan Wetenschappen

Op vlak van studie-efficiëntie boekt OASE geen spectaculaire resultaten. Er slagen iets meer studenten, maar dat aantal is statistisch niet significant. En dat ligt in de lijn van de verwachtingen, volgens Peter Lievens. ‘We wisten vooraf dat slaagpercentages vooral afhangen van de manier waarop we studenten selecteren en niet zozeer van de semesterorganisatie.’ Uit de cijfers blijkt dat de resultaten van studenten met een goede voorkennis wiskunde statistisch wél beter zijn.

Het aantal studenten dat verandert van richting blijft hetzelfde. Maar opvallend en zeer positief is dat studenten die besluiten om te veranderen dat wel vroeger beslissen in OASE. ‘We identificeren veel sneller studenten die uiteindelijk niet geschikt zijn voor de opleiding', vertelt decaan Lievens. ‘Goede studenten halen sowieso hun diploma: of het onderwijs nu op klassieke wijze of volgens OASE wordt ingevuld’.

De decaan maakt zich vooral zorgen om de middengroep: ‘We weten nog niet genoeg over de studenten die op het nippertje wel of niet meekunnen. Motiveren we die extra of schrikken we hen juist af omdat de lat te hoog lijkt? Dat blijft een grote bezorgdheid.’ Lievens vermoedt dat OASE tot beide opties leidt: motiveren én demotiveren.

Wat nu?

Het is duidelijk: de faculteit vindt het project een succes. Maar what’s next? In het tweede jaar van het project (2014-2015) werd alvast beslist om OASE voort te zetten in de eerste bachelor fysica en wiskunde, maar dan als permanente onderwijsvorm.

‘Goede vormen van permanente evaluatie zouden niet tot stress mogen leiden'

Peter Lievens, decaan Wetenschappen

Aan die onderwijsvorm is wel nog werk. De faculteit neemt de evaluatiepunten mee, sleutelt nog verder aan de formule en ‘blijft verder evolueren in een zoektocht naar het ideale evenwicht’, aldus het OASE-rapport.

Zo wil de faculteit de stress aanpakken die studenten ondervinden door de permanente evaluatie. ‘Goede vormen van permanente evaluatie zouden niet tot stress mogen leiden, maar tot een betere begeleiding van het leerproces’, vindt professor Lievens. ‘Daar slagen we nog niet in, maar we zetten wel stappen vooruit’.

In plaats van zuiver op punten te toetsen, denkt de faculteit bijvoorbeeld aan andere vormen en soorten van taken en testen ‘waarbij ook voldoende aandacht gegeven wordt aan eenvoudigere opgaven’, stelt het rapport. ‘Zo kunnen we helpen stress weg te nemen, het gevoel van competentie te verhogen en motivatie te bevorderen.’

De faculteit wil nu hard inzetten op de contactmomenten en die zo interessant mogelijk maken. Zo wil men de studenten de drive geven om actief te zijn en actief te leren.

Uitbreiding?

Of de OASE-vorm van onderwijs wordt uitgebreid naar de tweede en derde bachelor van fyscia en wiskunde, is niet duidelijk. ‘Ik hoop dat studenten daar vragende partij voor zijn', reageert Lievens. ‘We moeten vooral binnen de faculteit de discussie aangaan om te zien wat werkt en niet werkt en wat we bijgevolg breder kunnen implementeren.’

De komende jaren wil de faculteit positieve aspecten van het OASE-project uitbreiden naar andere opleidingen binnen de faculteit. ‘Dat gaat over de startpunten’, licht Lievens toe. ‘Minder uren les, flipped classroom, degelijke evaluatiesystemen en meer aanzetten tot vroeger beginnen leren.’ De discussie zal daarover aangegaan worden in de betrokken POC’s, zo stelt het rapport.


‘Om het onderwijsmodel echt volledig uit te werken, moeten we de blokperiodes en de septemberzittijd afschaffen. Dat kunnen we niet als faculteit, wel als universiteit'​

Peter Lievens, decaan Wetenschappen

Een zelfde model is niet wenselijk of mogelijk, zo stelt de faculteit. ‘Duidelijk is wel al dat niet aan alle randvoorwaarden voldaan kan worden om OASE in de meest volledige vorm over te nemen in andere opleidingen. Zo is er een gebrek aan geschikte (activerende) leerruimtes, en is het praktisch onmogelijk om voor alle opleidingen één OPO per dag te programmeren.’

Een ambitieuze en actieve faculteit, zoveel is duidelijk. ‘We hopen dat dit rapport ook andere opleidingen, tot ver buiten de faculteit Wetenschappen, kan inspireren en stimuleren om zelf aan de slag te gaan met meer activerend onderwijs’, sluit het rapport af.

Lievens gaat trouwens nog een stap verder. ‘Om het onderwijsmodel echt volledig uit te werken zoals we het geconcipieerd hebben, moeten we naar de volgende stap gaan: de blokperiodes en de septemberzittijd afschaffen. Dat kunnen we niet als faculteit, wel als universiteit.’

De inspiratiebron

De literatuur over onderwijsvormen is enorm. De faculteit had bij het uitwerken van OASE een grote inspiratiebron op het oog: de Amerikaan Carl Wieman.

Fysicus en onderwijspedagoog Wieman doceert aan Stanford University. Hij is wereldberoemd als voorvechter van activerend onderwijs. Tijdens zijn eerste jaren als professor aan de University of Colorado Boulder merkte hij op dat zijn studenten, hoe goed hun punten ook waren, moeite hadden met zelfstandig en conceptueel denken. Wieman verdiepte zich in de literatuur en experimenteerde vervolgens zelf met activerende leer- en doceervormen.

Eén van Wiemans bekendste experimenten gaat als volgt. Hij vergelijkt twee contrasterende onderwijsvormen voor een wetenschapsles in een grote groep. De controlegroep wordt gedoceerd door een ervaren en goede professor binnen de context van een klassiek hoorcollege. De experimentgroep wordt door een onervaren, jonge onderzoeker gedoceerd, maar op een activerende manier: studenten moeten actief meedenken, taken maken en discussiëren. De lessenreeksen lopen één week. Op het einde van de week volgt een toetsmoment.

Wat blijkt? De studenten van de tweede groep, met activerend onderwijs én onervaren post-doc’er, blijken tot twee keer zo hoog te scoren als de groep die de klassieke hoorcolleges volgde.

Het volledige rapport lees je hier.