Opnieuw debat over basisfinanciering aan KU Leuven: 'Beter dan het huidige model'

Tot 36% van onderzoeksgelden aan KU Leuven gaat mogelijk verloren aan administratie

03 maart 2021
Interview
Auteur(s): Daan Delespaul
54% van de Leuvense professoren is ontevreden over de trage uitrol van basisfinanciering aan de KU Leuven. Een intern rapport blaast de discussie nieuw leven in met drie mogelijke alternatieven.

'Een hoog plateau, met enkele pieken', zo wordt binnen KU Leuven naar het onderzoekslandschap verwezen. Toch zijn er veel onderzoekers die door een gebrek aan middelen niet aan dat plateau geraken. Een gevolg van een hoogst competitief systeem van projectfinanciering, waar efficiëntie volgens critici veraf is.

In 2017 lanceerden meer dan 600 academische personeelsleden in Veto een oproep tot meer engagementen richting basisfinanciering. Toenmalig kandidaat rector Luc Sels toonde zich voorzichtig voorstander, maar drong aan op extra onderzoek. 

Vier jaar later is dat extra er onderzoek er, ten gevolge van het denkwerk van de Denkgroep Optimale verdeling van Onderzoeksmiddelen, een ad hoc werkgroep van Leuvense onderzoekers met het onheilspellende acroniem DOOM. Drie medeauteurs verklaren: 'Onze alternatieven zijn beter dan het huidige model.' 

Hoe werd er intern gereageerd op jullie rapport?
Andreas De Block, professor wetenschapsfilosofie: 'De reacties die ik heb gekregen waren alvast positief. Het is wel iets dat leeft onder de ZAP'ers (zelfstandig academisch personeel, vergelijkbaar met een 'professor', red.).'

Hoe groot is de steun voor basisfinanciering binnen KU Leuven?
Veerle Baekelandt, professor neurobiologie: 'Het concept van basisfinanciering wordt door veel mensen verschillend gepercipieerd. Het zal een beetje afhankelijk zijn van domein tot domein. Ik weet wel dat binnen mijn domein van geneeskunde, de realisaties van de huidige beleidsploeg rond basisfinanciering maar matig geëvalueerd worden. Een druppel op een hete plaat die voor sommigen zelfs redelijk zinloos is.'

De Block: 'De huidige initiatieven worden ook niet gefinancierd met de interne BOF-middelen, wat voor onze voorstellen wel het geval zouden zijn. De basiswerkingsgarantie maakt binnen de groep Humane Wetenschappen (Leuvense faculteiten zijn ingedeeld in drie 'groepen', red.) wel degelijk een verschil voor onderzoekers die zonder middelen zitten.'

Kost

Volgens een ruwe schatting van de denkgroep besteden KU Leuven-onderzoekers jaarlijks tussen de 100 en 160 uur aan aanvragen voor interne onderzoeksfinanciering. Omgerekend kost dat de universiteit tussen de 8 en 16 miljoen euro, of tussen de 18% en 36% van het totale interne budget voor onderzoek.

Uit een interne bevraging van Veto, blijkt dat het ZAP-personeel zich vooral zorgen maakt over een hoge werkdruk. Is basisfinanciering ook daarvoor een oplossing? 
Baekelandt: 'Absoluut. Een groot deel van de tijd die je als onderzoeker hebt, gaat naar het zoeken van financiering voor een onderzoek. Als je de tijd die je nodig hebt voor C1 en C2-projecten al zou kunnen laten vallen door een vorm van basisfinanciering, ga je duidelijk minder druk en interne competitie ervaren.'

'De kritiek dat de voorgestelde alternatieven communistisch zijn klopt niet'

'De werkgroep is absoluut niet tegen competitie. De kritiek dat de voorgestelde alternatieven communistisch zijn klopt niet. Maar het is twijfelachtig of je ook nog eens de middelen die in de eigen universiteit aanwezig zijn competitief moeten verdelen. De wetenschappelijke basis wijst toch ook in die richting. Basisfinanciering gaat een heel stuk van de werkdruk wegnemen en tijd maken om weer écht onderzoek te voeren.'

Eve Seuntjens, professor ontwikkelingsbiologie: 'Ik denk dat er diversiteit moet zijn in het landschap van funding. Niet alles moet competitief zijn en niet alles kan basisfinanciering zijn.'

De Block: 'De ondergrens van onze schatting is een jaarlijkse investering van 100 uur per ZAP aan aanvragen van interne middelen. Dat is twee en een halve week. Ik hoor regelmatig in mijn omgeving dat mensen pas na hun werkuren aan onderzoek kunnen beginnen. Dan is 100 uur extra voor onderzoek echt wel een verschil. Anderen hoor ik zeggen dat de onderzoekstijd in de maanden februari en maart helemaal opgaat aan het schrijven en bedenken van aanvragen.'

Baekelandt: 'Het is in dat opzicht niet alleen werkdruk, maar ook een zekere garantie op continuïteit.'

15% van de onderzoekers zit momenteel zonder onderzoeksfinanciering, 43% kwam in zijn of haar carrière ooit zonder middelen te zitten. Wat opvalt, is dat vooral buitenlandse onderzoekers zonder middelen komen te zitten. Hoe kunnen jullie dat verklaren?
De Block: 'Een aantal zaken: de bekendheid met de kanalen, de vertrouwdheid met het genre, de connecties die altijd meespelen … Maar ik denk dat dit toch wel veelzeggend is. Die buitenlandse onderzoekers zijn zelden de allerslechtsten, net omgekeerd.'

'Zij worden eigenlijk niet zozeer op basis van hun excellentie beoordeeld maar op basis van hun vaardigheden om een projectaanvraag te schrijven, en die vaardigheden hebben weinig of niets te maken met waarheidsvinding. Die situatie verergert alleen maar naarmate er meer kanalen komen.'

Baekelandt: 'Het gevaar is dat je in een soort vicieuze cirkel belandt. Je wordt altijd voor een stuk beoordeeld op je prestaties. Als je enkele jaren na elkaar geen geld binnenhaalt, zal je productiviteit eronder lijden. Dat is zeker niet alleen bij buitenlandse professoren, maar ik denk dat zij soms wat moeilijker integreren in een bestaande onderzoeksgroep. Daardoor hebben ze misschien ook niet de steun of de tips om hun weg in het systeem te vinden.'

Impliciete bias?

Onderzoekers aan de KU Leuven beleven het huidige financieringssysteem heel verschillend. Binnen het departement Biologie haalden onderzoekers tussen 2015 en 2018 een succesratio van 100%, terwijl de juristen van de faculteit Rechtsgeleerdheid maar een slaagcijfer van 39% kenden.

Onderzoekers in de groep Humane Wetenschappen (58,5%) hebben lagere slaagcijfers dan de twee andere groepen (Wetenschappen & Technologie en Biomedische Wetenschappen, ruwweg Arenberg en Gasthuisberg, red.) in de traditionele competitiefinanciering (C1 en C2). Hoe komt dat?
De Block: 'Je moet daar eigenlijk speculeren. Er is niet op voorhand gecontingenteerd, er wordt enkel geselecteerd op excellentie. Ofwel is het onderzoek minder excellent, ofwel wordt het beoordeeld als minder excellent. Het zou natuurlijk ook kunnen dat in verschillende disciplines andere beoordelingsnormen gelden.'

'Het is gewoon bizar dat je meer geld moet aanvragen dan je nodig hebt'

Seuntjens: 'Er is inderdaad geen a priori verdeelsleutel, dus alles kan. Het is niet duidelijk of deze bias in verdeling iets structureel is. Het kan ook zijn dat dit een toevallige momentopname is waarin bepaalde groepen iets meer kregen.'

De Block: 'Het kan effectief ook te maken hebben met wat leden van de Onderzoeksraad als meer waardevol onderzoek zien. Er is effectief wel iets voor te zeggen om meer geld te investeren in biomedisch of exact wetenschappelijk onderzoek, dat is vaak ook zo in het buitenland. Alleen zou men dat beter expliciet maken, want dat kan dan niet meer onder de noemer van excellentie.'

De twee andere groepen krijgen dan weer vaak een lager bedrag dan aangevraagd. Is het überhaupt mogelijk om eenzelfde onderzoek met minder middelen te voeren? 
De Block: 'Soms wel, soms niet. Maar we zeggen ook uitdrukkelijk dat de aanvragers beter een ondergrens zouden aangeven, waarbeneden ze de financiering niet meer zinvol vinden. Want wat je natuurlijk ook ziet is dat aanvragers te veel aanvragen. Het is sowieso al moeilijk om de funding sweet spot te bepalen, de referees hebben daar vaak ook problemen mee. Als aanvrager ben je dan snel geneigd om wat meer aan te vragen.'

Die budgettering, zijn daar criteria voor? 
Baekelandt: 'Ja, maar die hebben wij niet gezien. Er zijn een aantal criteria, maar dat is niet echt met een duidelijke formule die iemand extern kan reproduceren. Vaak is het bij dat soort projectaanvragen ook een pragmatische keuze. Je hebt een bepaald budget en je moet zien wat je daarmee kan doen.'

Jullie stellen voor een minimumbudget bij iedere aanvraag in te voegen om onderzoekers meer houvast te bieden. Riskeer je dan geen race to the bottom, waarbij altijd het minimumbudget wordt toegekend? 
De Block: 'Ach, het is gewoon bizar dat je meer geld moet aanvragen dan je nodig hebt om dan aan je minimumbedrag te komen. Dat is ook een probleem van het BOF-decreet dat op dat vlak zou moeten aangepast worden. Het heeft ook te maken met efficiëntie. Het evenwicht zit daar alleszins niet goed denk ik.'

Baekelandt: 'Het exact inschatten van een budget dat een project nodig heeft is heel erg moeilijk. Bij sommige projecten bestaan wel restricties naar hoeveel geld je kan besteden aan bepaalde zaken.'

De Block: 'Maar denk daar bijvoorbeeld aan een open access-publicaties. Het is heel moeilijk in te schatten waar je iets open access zal publiceren en hoeveel je zal publiceren, en dat heeft impact op het bedrag. Bijgevolg is de inschatting van het budget dat je nodig zal hebben niet altijd gemakkelijk.'

Baekelandt: 'Voor experimenteel onderzoek is het over een periode van vier jaar bijvoorbeeld heel moeilijk te bepalen hoeveel bepaalde experimenten zullen kosten. Afhankelijk van een resultaat moet een experiment al dan niet herhaald worden.'

Het viel ons op dat de groep Wetenschappen & Technologie beduidend meer tevreden is met het huidige systeem dan de groepen Humane Wetenschappen en Biomedische Wetenschappen. Ligt dat aan hun algemeen hogere slaagcijfers?
Baekelandt: 'Het is wel zo dat de projecten van de Humane Wetenschappen door reviewers uit de Humane Wetenschappen worden beoordeeld, de projecten van W&T door W&T en biomedische projecten door biomedici. Er bestaat soms een verschil van cultuur in beoordeling tussen groepen. Dat kan voor een stuk ook de succesratio verklaren.'

'Nu wordt er totaal geen rekening gehouden met verschillen in kostprijs tussen disciplines'

De Block: 'Mensen denken dat wetenschappelijke subsidieaanvragen heel objectief kunnen beoordeeld worden. Maar uiteindelijk is dat niet altijd zo anders dan bijvoorbeeld in de kunsten. Soms krijg je meer geld voor het ene type kunst, en soms voor andere, en zijn daar geen objectieve redenen voor.'

Basisfinanciering

De DOOM-groep werkte drie mogelijke scenario's voor basisfinanciering aan de KU Leuven uit. Het meest radicale systeem levert een uitgebreide basisfinanciering op, waarbij een ZAP-lid, naargelang zijn onderzoeksdiscipline, jaarlijks 44.000, 57.000 of 70.000 euro aan onderzoeksmiddelen krijgt. Een tweede systeem vertrekt van het huidige competitiesysteem voor grote projecten, maar voorziet in een loterij voor de kleinere projecten.

Tot slot bestaat ook een combinatiesysteem, met een lagere uitkering per ZAP-lid, maar wel nog een pot van 32 miljoen euro die competitief verdeeld wordt. 'We spreken ons niet uit over een van de drie alternatieven. Wat we wel vinden is dat onze alternatieven beter zijn dan het huidige model.'

Jullie stellen een verschillende verdeelsleutel qua inkomen over de disciplines voor, maar waar trek je de grens van 'een discipline'? 
De Block: 'Bij het Research Excellence Framework hebben ze er jaren over gedaan, het is dan ook niet simpel. Wij hebben met een heel grof penseel de lijnen geschetst en dat systeem overgenomen. Je weet dat er zelfs binnen bepaalde disciplines enorme verschillen bestaan – archeologie bijvoorbeeld. De vraag is vaak ook welke variant in Leuven aanwezig is: is dat de dure of de goedkope variant van archeologie?'

'Ik denk niet dat wij met de middelen die we nu hadden tot een minder omstreden resultaat hadden kunnen komen. Een budgetbepaling is bijzonder moeilijk, dus daar ga je altijd problemen krijgen.' 

Baekelandt: 'Maar het is toch is het goed dat we dit voorstellen, en alleszins beter dan wat er nu bestaat. Nu wordt er totaal geen rekening gehouden met verschillen in kostprijs tussen disciplines. De meeste mensen zullen het er toch over eens zijn dat dat een vreemd systeem is.' 

Een ander discussiepunt zijn de klinische onderzoekers, waar passen die volgens jullie in in een systeem van basisfinanciering? 
Baekelandt: 'Ook dat is een redelijk delicate kwestie. Het probleem is dat er een groot verschil bestaat tussen clinici in enerzijds de tijd die men kan besteden aan onderzoek en anderzijds de interesse. Er zijn er bij die echt uitsluitend interesse hebben in klinische praktijken en het onderzoek er moeten bijnemen om ZAP te kunnen zijn. Er zijn er ook die oprecht geïnteresseerd zijn in onderzoek maar door hun klinische opdracht er geen tijd voor hebben.'

'Het zal zeker niet gemakkelijk zijn om daar een regeling te treffen die voor iedereen goed is. Ik denk wel dat ervan uit gegaan moet worden dat wie geïnteresseerd is de kans moet krijgen, en meer moet krijgen dan wat nu het geval is. Er zijn wel modellen denkbaar die dat meenemen.'

De Block: 'Ook in de DOOM-groep hebben we er uitdrukkelijk voor gekozen om hen niet te behandelen als 5% of 10% aanstellingen, maar als voltijdse ZAP'ers.'

Zou zo'n discipline-gebonden multiplicator tussen groepen, faculteiten of onderzoeksdisciplines niet heel snel voor een politieke strijd om geld zorgen? 
De Block: 'Je kan internationaal benchmarken, wat wij ook gedaan hebben. Die verdeling kan je dan toepassen op Leuven, a rato van de grootte van een faculteit en het aantal onderzoekers.'

'Er gaat altijd geld verspild worden, in elk systeem'

'Discussies over geld kunnen altijd hoog oplopen tussen faculteiten en departementen. We moeten in deze niet kijken naar wat goed is voor de eigen faculteiten of departementen, maar wat goed is voor de wetenschap en voor de universiteit als geheel. Die discussies kunnen zeker nog verder gevoerd worden; het was niet onze taak die helemaal te beslechten.' 

Het nadeel van een basisfinanciering is wel een verlies aan controle. Hoe vermijd je dat de financieringslijn een blanco cheque wordt?
Seuntjens: 'We hebben basisfinanciering gekoppeld aan een evaluatie.'

De Block: 'We hebben dat een "triage" genoemd. Effectief een selectie waar een traject aan verbonden was, mogelijk gekoppeld aan de ZAP-evaluatie.' 

Baekelandt: 'Er zijn een aantal objectieve parameters die je kan gebruiken om te meten of iemand goed is omgesprongen met de onderzoeksmiddelen die hij of zij heeft gekregen. Je kan kijken naar doctoraten, publicaties, binnenhalen van andere onderzoeksmiddelen: allemaal parameters die door externen getoetst worden.'

Seuntjens: 'We moeten natuurlijk wel opletten dat we daarmee innovatieve ideeën die mogelijks tot niets leiden niet remmen. Er zullen altijd ideeën zijn niet leiden tot baanbrekende resultaten, maar er moet de ruimte blijven om te dwalen. Aantoonbaar werken met uw geld is wel wat we verwachten.'

De Block: 'Er gaat altijd geld verspild worden, in elk systeem. Men kan nooit alle inefficiëntie vermijden.'

Baekelandt: 'Daarom moeten die criteria niet te strikt zijn, en zeker niet op korte termijn werken. Het is intrinsiek met onderzoek verbonden dat een aantal zaken niet gaan lukken. Want in principe zijn wij toch geselecteerd op basis van onze onderzoekscapaciteiten. Dan mag men er ook op vertrouwen dat de meeste onderzoekers met die onderzoeksmiddelen bewust omgaan.'

Inertie

Ook kandidaat-rector Jan Tytgat maakte deel uit van de DOOM. In een opiniestuk in De Standaard pleitte hij vorige week nog voor een systeem van basisfinanciering aan de universiteit.

Of (kandidaat-)rector Luc Sels meesurft op die golf en zijn beleidskoers aanpast is nog onduidelijk: 'Het uitgebreide werk van die werkgroep lag er niet bij de verkiezing van 2017. Een grondig debat over onderzoeksbeleid zie ik als een van de grootste werven voor de toekomst van de KU Leuven.' 

Hoe snel kan basisfinanciering aan de KU Leuven geïmplementeerd worden?
De Block: 'We zitten met een bepaald systeem. Als je de universiteit uit het niets zou kunnen oprichten, kan je vandaag starten. Nu zit je met een zekere inertie en transitiekosten. Het is daarom ook dat we zeggen dat er meer onderzoek moet gebeuren, want het is niet realistisch dit te doen op drie jaar. Ik hoop wel dat ik binnen de tien jaar de invoering van een van de voorgestelde alternatieven kan zien.'

Baekelandt: 'De snelheid hangt ook wel heel fel af van degenen die aan het beleid zijn. Als er echt een wil is, kan er wel veel.'

Seuntjens: 'Er zijn ook een aantal lopende projecten van vier of zes jaar die natuurlijk moeten blijven lopen. Het is niet zo dat al het geld meteen beschikbaar is.'

Baekelandt: 'De lancering van iBOF ging redelijk vlug, dus wie weet.'

Seuntjens: 'Wie weet raken andere universiteiten ook geïnspireerd door ons?'

Het rapport van de DOOM-werkgroep wordt voorgesteld op 5 maart.