ACHTERGROND WETENSCHAP
Hoe rijm je geloof en wetenschap? 'Je kan nooit volledig waardenvrij zijn'
Gelovig zijn en aan wetenschap doen: een paradox? 'Soms lijkt het alsof geloof en wetenschap op elkaar geënt zijn. Maar het zijn juist parallelle sporen.' Twee professoren uit de exacte wetenschappen getuigen.
Toen Galileo Galilei in de zeventiende eeuw door zijn telescoop tuurde en bevestigd zag dat de zon – en niet de aarde, zoals de middeleeuwse filosofen beweerden – in het middelpunt van ons zonnestelsel staat, leidde dit tot een conflict met de Katholieke Kerk. Pas in 1992 zorgde de toenmalige paus voor een rechtzetting en erkende hij dat Galilei's bevindingen correct waren.
Toch zijn godsdienst en wetenschap helemaal niet zo onverenigbaar als vaak gedacht wordt. Al in de middeleeuwen stemde de Kerk in met de stichting van onafhankelijke universiteiten, en in de zestiende eeuw aanvaarde het instituut dat de Bijbel geen uitspraken kan doen over de wetenschap.
'Niemand neemt het mij nu kwalijk dat ik gelovig ben. Dat was ooit anders'
Galilei was een ongelukkige uitzondering, omdat zijn ideeën ingingen tegen de leer van Aristoteles. Talloze gelovige wetenschappers, van Isaac Newton en Georges Lemaître tot Galilei zelf, zagen helemaal geen tegenstelling tussen hun wetenschappelijk werk en hun religieuze overtuiging.
Vandaag lijken de vakgebieden mijlenver uit elkaar te liggen. Gelovig zijn is in onze samenleving steeds zeldzamer geworden, zeker binnen de exacte wetenschappen. Op welke manier kun je de twee toch verzoenen? Voor professoren Stephan Claes en Leen Decin is het alvast een evidentie.
Stephan Claes: 'Het is ongebruikelijk om over je geloof te praten onder wetenschappers'
'Uiteraard kun je op een intelligente manier gelovig zijn en aan wetenschap doen', zegt professor Stephan Claes. Hij staat aan het hoofd van de onderzoeksgroep Psychiatrie van de KU Leuven en is verbonden aan de Universitaire Parochie.
'Ik ben een trouwe bezoeker van de weekendvieringen in het Begijnhof. Het doet deugd om op een zondag rustig evangelies te kunnen beluisteren en te reflecteren over wat die voor mij betekenen. Zo'n parochie is tegelijk ook een gemeenschap, waar ik kan samenkomen met mensen die vanuit dezelfde inspiratie denken.'
Veel gelovige collega's kent hij nochtans niet. 'In een professionele context is het vrij ongebruikelijk om daarover te praten. Al neemt niemand het mij kwalijk dat ik gelovig ben.' Dat was ooit anders, vertelt hij. 'Toen ik als jonge psychiater aan de slag ging, was dat eerder een delicaat thema. Psychiatrie en religie hebben namelijk lange tijd op gespannen voet gestaan met elkaar.'
'Zeker bij jonge collega's is er nu veel meer openheid om over levensbeschouwelijke kwesties te spreken. En in het nieuwe Leerboek Psychiatrie (het overzichtswerk dat in België en Nederland gebruikt wordt in opleidingen Geneeskunde, red.) is recent ook aandacht gekomen voor zingeving in het begrijpen en behandelen van psychiatrische aandoeningen. Twintig jaar geleden zou dat niet mogelijk zijn geweest.'
Van conflict tussen zijn geloof en vakgebied is er volgens Claes geen sprake: 'Wetenschap is het enige juiste antwoord op wetenschappelijke vragen. Maar dat antwoord kan perfect compatibel zijn met een geloofsovertuiging.' Naar analogie met paleontoloog Stephen Gould betoogt hij dat geloof en wetenschap twee aparte 'magisteria' zijn, die elk hun eigen onderzoeksgebied vertegenwoordigen en daarom niet overlappen.
'Het zijn systemen die op hun eigen manier naar waarheid zoeken, maar ze moeten elk binnen hun grenzen blijven. De exacte wetenschap mag niet pretenderen dat ze een antwoord kan bieden op existentiële vragen, maar tegelijk moeten christenen een letterlijke interpretatie van de Bijbel ook kunnen afwijzen.'
'Je kunt binnen de wetenschap nooit volledig waardenvrij zijn. Je eigen denkkader dringt onvermijdelijk door in de wetenschappelijke omgeving.' Volgens Claes is het dus nodig dat iedere onderzoeker dat denkkader kan verduidelijken en er zelf ook over reflecteert. 'Maar mijn handelen als psychiater zal altijd gebaseerd zijn op wetenschappelijk onderzoek en klinische ervaring, en dat staat volledig los van religie.'
Leen Decin: 'Als mensen godsdienst niet begrijpen, schuiven ze die aan de kant'
Ook Leen Decin ziet geen paradox. Ze is professor sterrenkunde aan de KU Leuven en houdt zich voornamelijk bezig met onderzoek naar exoplaneten – planeten die rond een andere ster dan onze zon draaien. 'Fysica kan de oorsprong van het heelal wel verklaren, maar die wiskundige vergelijkingen zullen nooit een antwoord kunnen geven op de "waarom?" van het leven', vertelt ze.
'Astronomie houdt zich bezig met zowel het kleinste als het grootste dat we kennen: het overbrugt alles. Als je op die schaalgrootte aan onderzoek doet, associëren mensen dat al snel met hun godsbeeld. Ze zien God als een extra laag rondom het universum, als een almachtig wezen.'
'Je moet leren dat kennis en geloof verschillende dimensies hebben. Het ene zoekt naar kennis, het andere naar betekenis'
Dat is niet hoe Decin haar geloof invult: 'God is niet iemand die zich oneindig ver weg van ons bevindt. Voor mij draait het om hoe ik zelf, in mijn dagelijks leven, aan de slag kan gaan met verhalen uit de Bijbel.' Een juiste lezing van geloof is essentieel om die met wetenschap te kunnen verenigen, zegt ze.
'Wetenschap en religie hebben elk hun eigen taal. Ze mogen dan wel dezelfde woorden gebruiken, je moet leren dat de twee een verschillende dimensie hebben. Wetenschap zoekt immers naar kennis, en geloof naar betekenis.'
'Een deel van de kosmologie hoort eerder bij de metafysica (een tak van de filosofie die de fundamentele aard van de werkelijkheid onderzoekt, voorbij de zintuiglijke waarneming, red.), omdat we nooit zullen kunnen aantonen wat er was vóór het ontstaan van het universum.' Geloven dat de wetenschap ooit alles zal kunnen verklaren, leidt volgens Decin tot een gevaarlijk denkbeeld.
Het betekent namelijk niet dat wat de wetenschap niet kan verklaren, vervangen mag worden door een god. 'Religie mag niet als gaatjesvuller gebruikt worden – hoe meer de wetenschap kan verklaren, hoe minder God er overblijft – want dan lijkt het alsof geloof en wetenschap op elkaar geënt zijn. Het zijn juist parallelle sporen.' Ze zucht wanneer wetenschappers dat onderscheid niet maken. Denk maar aan Harvard-professor Steven Pinker, die stelt dat er geen wetenschappelijk bewijs voor God is.
Of het ongebruikelijker is binnen de exacte wetenschappen om gelovig te zijn dan bij humane wetenschappen? Decin denkt van niet. Nochtans valt bewijs veel preciezer vast te stellen in de exacte wetenschappen. 'Maar misschien hebben humane wetenschappers wel meer talent om de symbolische taal van religie te verstaan. Het is een kunst om symboliek juist te interpreteren.'
'Als mensen geen fysica of wiskunde snappen, zeggen ze dat het te ingewikkeld voor hen is en laten ze het vak aan wetenschappers over. Maar als mensen godsdienst niet begrijpen, schuiven ze het gewoonweg aan de kant of verklaren ze dat godsdienst onzin is. Terwijl sommigen misschien gewoonweg een talen- of rekenknobbel hebben, en anderen een talent voor religie.'
Heb je vragen of opmerkingen bij dit artikel? Stuur ze ons.