ACHTERGROND CAMPUSARCHITECTUUR
Betonnen parels en schaalvergissingen: de Leuvense campus onder de loep
Campussen zijn de plek waar iedere student zijn academisch talent kan ontplooien. Toch zijn niet al die gebouwen een even zijdezachte streling voor het oog. Veto zocht uit welke universitaire stulpjes lof dan wel bezwaar verdienen.
Waarschijnlijk heb je het afgelopen jaar in talloze aula's gezeten, het ene gebouw al wat fraaier dan het andere. Wie goed rondkijkt, ziet de geschiedenis van de universiteit in de stenen weerspiegeld. Achter de gevels waar jij les volgt, luncht of simpelweg chillt, schuilt een wereld van verhitte discussies over budgetten, praktische noden en knellende erfgoednormen.
Onze campussen liggen bovendien voortdurend onder een vergrootglas. Want zeg nu zelf: wie heeft er géén mening over de gevel van het Erasmushuis? Of wie heeft zich nog nooit afgevraagd waarom de stijlen van de Oude en Nieuwe Valk zo hard vloeken? Om eindelijk te beslechten welke campussen hulde verdienen en welke een architecturale misser zijn, zocht Veto antwoorden in academische wateren.
'De Leuvense campussen herbergen een aantal prachtige gebouwen. De diversiteit is groot, maar dat vind ik juist een troef', stelt Hilde Heynen, professor emerita Architectuurkritiek. Zij brengt voor ons vier campussen in kaart en zegt welke daarvan werkelijke pareltjes zijn en waar de architectuur de bal volledig misslaat.
1. Erasmushuis
Het Erasmushuis werd opgetrokken in 1972 en was uiteindelijk gebruiksklaar in 1975. Het werd ontworpen door architectenbureau TED, dat onder leiding stond van Marc Dessauvage. Hij was een gerenommeerd Belgische architect die bekend stond om zijn liefde voor het brutalisme.
Die architecturale stroming vierde zijn hoogtij in de jaren vijftig tot zeventig van de vorige eeuw en is gekend voor zijn grove vormen en het gebruik van beton. Het Erasmusgebouw is niet het enige brutalistische gebouw dat de universiteit in Leuven kent. Er zijn onder meer nog de Nieuwe Valk, residentie Camilo Torres en Alma 3. De stijl viel eind jaren negentig uit de smaak maar wordt ondertussen weer wat breder geapprecieerd.
'Het Erasmushuis is één van de architecturale pareltjes onder de Leuvense campussen'
'Ik vind het Erasmushuis een fantastisch gebouw. Het is één van de architecturale pareltjes onder de Leuvense campussen. Als we hier buitenlandse bezoekers uitnodigen, is dit het gebouw dat ze willen zien. Toch als het architectuurkenners zijn', lacht Heynen.
Wat voor haar ook opmerkelijk is, is hoe goed het gebouw geïntegreerd is in de stad. 'Het Erasmushuis zit een beetje vreemd in het stedelijke weefsel. Errond zijn rijhuizen en sobere straten, maar het huis zelf trekt zich een beetje terug. De tuin bemiddelt tussen het gebouw dat de hoogte ingaat en duidelijk zijn eigen identiteit heeft.'
2. Arenbergkasteel
Het kasteel werd gebouwd in het begin van de zestiende eeuw en is het Leuvense voorbeeld van Renaissance-architectuur. Het gebouw is ondertussen als erfgoed erkend en dat brengt zijn eigen uitdagingen met zich mee. 'Erfgoed is duur. Er zijn hoge verwachtingen en eisen van Monumentenzorg. Je kan niet zomaar glas laten vervangen of er een heel andere plaster tegenaan smijten om het beter te isoleren. Iets dat als erfgoed erkend is, brengt zijn eigen kosten met zich mee, juist omdat het erfgoed is', benadrukt Heynen.
Het gebouw was niet voorbereid op de huisvesting van de universiteit. 'In de torens zijn een aantal ruimtes die enkel als kantoor kunnen gebruikt worden. Die zijn reuzegroot, ze beslaan zo'n 40 tot 50 vierkante meter. Daar kan je in andere gebouwen enkel van dromen, maar dat is wel absoluut geen efficiënt oppervlaktegebruik', zegt Heynen.
'Arenberg is fantastisch erfgoed, maar voor de studenten ontbreekt een gezellige ruimte'
'De manier waarop het in elkaar zit, met de binnenkoer en de verschillende vleugels, laat het niet toe om een centrale plek te hebben waar iedereen passeert. Een plek waar men elkaar tegenkomt is belangrijk voor zowel studenten als onderzoekers. Ook al zitten er prachtige ruimtes in, is het op dat vlak wat behelpen', nuanceert Heynen.
Maar ook prestige speelt een rol. 'Het decanaat zit daar met heel veel plezier. Er zijn recepties en ontvangsten. Daarom willen heel veel mensen moeite in dat gebouw steken, om het te herstellen en om het telkens te blijven willen renoveren'.
'Het kasteel van Arenberg is met andere woorden fantastisch erfgoed, maar voor de studenten ontbreekt een soort gezellige ruimte; daar moeten ze nu een beetje "squaten" om samen te kunnen zitten', besluit Heynen.
3. Campus Groep T
'Heel dat gebouw is een schaalvergissing', oordeelt Hilde Heynen onomwonden. Het kolossale ontwerp van Jaspers-Eyers uit 1997 vloekt volgens haar met de omgeving. Het atrium schreeuwt om aandacht op een hoek waar alleen smalle straatjes samenkomen, zonder enige voeling met de menselijke schaal.
Het gebouw mist elke vorm van stedelijke inbedding; er is geen plein of ademruimte om het volume te breken. 'Het zit daar maar een beetje te groot te wezen', stelt Heynen. In architecturale kringen wordt Campus Groep T dan ook zelden als een positief referentiepunt aangehaald.
'Heel dat gebouw is een schaalvergissing'
Het gebouw is volgens Heynen een puur prestigeobject waar de ambitie ontbrak om internationaal baanbrekend te zijn. 'Men mikt op een niveau van goed tot zeer goed, niet excellent', klinkt het kritisch. 'De universiteit kiest voor de veilige afweging tussen praktische noden, prijs en reputatie'.
Toch is een gebouw zomaar vervangen vandaag de dag een totale no-go. 'Er zit ontzettend veel energie in dat beton', legt Heynen uit: 'Afbreken is simpelweg "dingen weggooien". In plaats van sloop moet men de hoogte in gaan of uptoppen om de schaarse groenruimte op de campussen te sparen'.
4. De Valk
De Oude Valk kent een bewogen geschiedenis: van zestiende-eeuwse collegezalen tot een verwoestende brand in de negentiende eeuw. Het huidige monument is het resultaat van diverse renovaties, waaronder die door Raymond Lemaire, een jurist die zonder officieel architectendiploma zijn stempel op de faculteit drukte.
In 1968 kreeg het complex een modern gezicht met de Nieuwe Valk, een stijlbreuk die volgens Heynen noodzakelijk was. 'Dat was juist de bedoeling. Je gaat in de twintigste eeuw niet hetzelfde doen als in de achttiende eeuw', legt ze uit. 'De materialen, technieken, inzichten en noden waren allemaal veranderd.'
'De universiteit zou de optie moeten onderzoeken de hoogte in te gaan; ik zou dat persoonlijk wel zien zitten'
Die nieuwe stijl brengt ook nieuwe vrijheden met zich mee. 'In de Nieuwe Valk ging bijvoorbeeld de bezetting door voor Palestina. Doe dat maar eens in het oude gebouw' lacht Heynen. 'In het moderne deel horen een andere ruimtelijke opvatting, ander materiaalgebruik en een andere architecturale expressie er simpelweg bij.'
Toch barst de campus uit haar voegen door de almaar groeiende studentenpopulatie. Omdat uitbreiden in het hart van de stad lastig is, oppert Heynen een gedurfde oplossing: de hoogte in. 'Dat zou door de universiteit onderzocht moeten worden. Ik weet dat veel mensen daar anders over denken, maar ik zou dat wel zien zitten.'
Uiteindelijk draait goede architectuur om meer dan alleen stenen; de omgeving is alles. Een donker en saai gebouw wordt volgens Heynen gered door een café op de hoek, terwijl een prachtpand in de eenzaamheid wegkwijnt. 'Architectuur heeft met heel veel dingen te maken en slechts zelden is er één aspect doorslaggevend.'
Heb je vragen of opmerkingen bij dit artikel? Stuur ze ons.