KLEINE KUNST KORTVERHAAL
Een hele mooie vlinder
Kunst hoeft niet monumentaal te zijn om iets te vertellen. 'Kleine Kunst' herbergt woordkunst in haar fijnste vorm, om in te verzinken, te overpeinzen en van te genieten.
Toen de regen ophield en het zachte druppelen plaats maakte voor een drukkende stilte, besloot ik naar buiten te gaan. Ik trok m'n oude schoenen aan omdat ik wist dat één of andere sluwe plas op de loer lag om me op een onbewaakt moment te treffen en m'n mooie witte schoenen van hun onschuldigheid te beroven.
De veters voelden ruw aan, afgeleefd en geen zin meer om in een nieuw avontuur gestort te worden, buiten hun wil om. Ze voelden moegestreden aan en m'n vingers beantwoordden dat sentiment met begrip, doch met volharding, want ik moest en zou naar buiten gaan, daar zou geen zure veter me van weerhouden.
Ik strikte hen zachtjes, met de omzichtigheid waarmee je de breekbaarheid van een ziek iemand tegemoet treedt. Ik nam m'n spuuglelijke en identiteitsloze confectiejas van m'n ontzielde kapstok en trok hem even zinloos aan. Ik gooide nog even een blik op de hal, in de ijdele hoop daar een antwoord op mijn vele vragen tegen het lijf te lopen, maar ik keerde van een kale reis terug, geheel in de lijn van m'n verwachtingen.
Ik duwde de deur open en zette een voet buiten. Het zonnetje brak stilletjes door het zware wolkendek heen en een iel, waterig straaltje zonlicht viel op de neus van mijn schoen. Het gras in de voortuin langs weerszijden van het padje tot mijn voordeur dat de tuin doorkliefde, was totaal verzopen.
Heel stil kwamen vervaagde noodkreten van wanhopige grassprietjes mij ter ore, ternauwernood op zoek naar de ultieme redding uit hun meer dan penibele situatie. Het is niet dat het me niets deed of ik er blind voor was, integendeel, ik wilde hen te hulp schieten, maar hoe kan ik een ander van de verdrinkingsdood redden als het water me zelf aan de lippen staat? Ik had er geen pasklaar antwoord op, dus besloot ik verder te gaan en hen de kans te geven hun lot onverbiddelijk te aanvaarden.
De grauwe dag gaf me een klap in het gezicht, maar dat zonnestraaltje had me alle kracht gegeven die ik nodig had om die dag boven water te blijven. Ik probeerde de plassen te ontwijken en struinde het pad en daarna het voetpad af, met droge sokken en natte schoenen, op weg naar het park. De wind woei niet, maar af en toe streelde ze snedig mijn wangen, om haar heimelijke aanwezigheid kenbaar te maken.
Met twee handen wreef ik telkens weer m'n haar naar achteren, alvorens het telkens weer terug in m'n gezicht viel en ik alle hoop op een beter leven resoluut liet varen. Waarom ik ging wandelen? Geen idee. De confrontatie met de wereld deed geen afbreuk aan m'n eigen werkelijkheid. De premissen van de kooi bleven standvastig overeind. Heeft het zin in cirkeltjes te lopen? Moet er een bestemming zijn? Ik weet het niet, daarom stel ik de vragen. Ik keer maar weer huiswaarts, ik heb er geen zin meer in. Ik heb wel een heel mooie vlinder gezien. Hij mij waarschijnlijk niet, maar een glimlach is een glimlach.