ANALYSE GENDERKLOOF

Socialisatie, stereotyp­­­en en een self-fulfil­ling prophecy: twee op drie opleidingen heeft een gender­kloof

Stereotiepe beeldvorming en lager academisch zelfvertrouwen bij meisjes zorgen ervoor dat de genderkloof binnen opleidingen toeneemt: 'De universiteit kan moeilijk achttien jaar aan gegenderde socialisatie ongedaan maken.'

Gepubliceerd
Leestijd: 6 min

Studenten aan de KU Leuven kiezen steeds vaker voor een richting die traditioneel geassocieerd wordt met hun gender. Dat schrijft het nieuwste Gender Equality Rapport van de KU Leuven. Twee derde van alle Leuvense bacheloropleidingen heeft namelijk een over- of ondervertegen­woordiging op vlak van gender.

Dat is een zorgwekkende tendens. Gender­gelijkheid aan de universiteit kent een lange – en onvoltooide – geschiedenis. Op het niveau van studenten zijn vrouwen tegen­woordig zelfs lichtjes in de meerder­heid. Zo'n 55 procent van alle studenten in een bachelor- of masteropleiding aan de KU Leuven is vandaag vrouw.

Stereotiepe beeldvorming

Al zien die cijfers er heel anders uit als je ze op het niveau van de opleidingen bekijkt. Daar is de afgelopen dertig jaar namelijk een andere evolutie aan de gang: slechts 35 procent van alle opleidingen heeft een genderevenwicht. Een 'evenwichtige' richting heeft niet meer dan twee derde studenten van eenzelfde gender. In het academiejaar 1992-1993 was dat aandeel bijvoorbeeld omgekeerd: 63% van de opleidingen was toen evenwichtig.

Er zijn hele grote verschillen in de genderbalans binnen opleidingen. De bachelor Logopedische en Audiologische Wetenschappen is de meest 'vrouwelijke' richting en bestaat voor 99% uit meisjes, terwijl de opleiding tot industrieel ingenieur met 90% jongens de meest stereotiepe 'mannelijke' richting is.

In het midden van dat spectrum doet zich een ander fenomeen voor: opleidingen met 'bio' in hun titel hebben doorgaans een hele goede genderbalans. Zo zorgde de naamsverandering van 'Landbouwwetenschappen' naar 'Bio-ingenieurswetenschappen' geleidelijk voor een instroom van steeds meer vrouwelijke studenten. Momenteel is het al enkele jaren de richting die een 50/50-balans het best benadert. Andere richtingen binnen de groep Wetenschap & Technologie hebben over het algemeen een mannelijk overwicht.

'Het ligt ergens dus aan het beeld dat meisjes hebben van zo'n richtingen', zegt Marjan Van Aerschot, secretaris van de Diversiteits­raad van de KU Leuven en co-auteur van het Gender Equality Rapport. 'Meisjes kiezen stereotiep voor richtingen met een groter menselijk aspect.'

Vrouwelijke psychologen en mannelijke economen

Richtingen die zich toespitsen op de zorg- en gezondheidssector hebben inderdaad vaak grote onevenwichten. Dat effect speelt zeker op de faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen een rol. De Leuvense bacheloropleidingen hebben daar respectievelijk een aandeel van 83% en zelfs 96% aan vrouwelijke studenten. 'Als faculteit zijn we daar niet heel tevreden mee. We zouden graag een betere verdeling zien', zegt decaan Hans Op De Beeck.

'Psychologie wordt vaak met stereotypen voorgesteld, terwijl er juist heel veel diversiteit is in het werkveld', vertelt hij. Zo denken mensen volgens hem vaak in de eerste plaats aan klinische psychologen, terwijl er veel meer carrièremogelijkheden zijn. 'In andere afstudeerrichtingen binnen de master, zoals Arbeids- en Organisatie­psychologie, of Theorie en Onderzoek, merken we ook dat er een beter evenwicht is onder studenten.'

De genderkloof binnen zijn faculteit speelt volgens Op De Beeck niet enkel een rol in de instroom van studenten in een richting, maar heeft ook een effect op hun welbevind­en en academische prestaties: 'Het oneven­wicht is nadelig voor het thuisvoelen van jongens aan onze faculteit.'

Op die manier houdt de genderkloof zichzelf ook in stand: 'Het wordt eigenlijk een vicieuze cirkel', zegt Alicia Ramos, post­doctoraal onderzoeker in de onderwijs­psychologie. 'Er is minder kans dat een meisje kiest voor een richting gedomineerd door jongens – of omgekeerd – omdat ze er minder het gevoel heeft er thuis te horen.'

Sophie De Winne, decaan van de faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen, sluit zich daarbij aan. 'Wanneer een opleiding overwegend door mannen wordt gevolgd, kan dat onbedoeld het beeld versterken dat het om een typisch 'mannelijke' studie­richting gaat. Dat is jammer, want onze opleidingen geven toegang tot zo'n ruime waaier aan functies en sectoren, die helemaal niet beantwoorden aan dat stereotiepe beeld.'

'We moeten daarom niet alleen kijken naar het aantal vrouwelijke studenten, maar ook – en eigenlijk vooral – naar de redenen waarom meisjes minder vaak voor bepaalde economische opleidingen kiezen', gaat ze verder. Een verklaring kan volgens De Winne gevonden worden in het academisch zelfvertrouwen van meisjes.

'Het is al aangetoond dat vrouwelijke studenten het objectief gezien niet slechter doen op vlak van wiskunde dan jongens, maar over het algemeen is hun eigen perceptie over hun capaciteiten op dat vlak lager.' Daardoor kunnen meisjes het nodige zelfvertrouwen missen om aan een richting te beginnen met een groot pakket wiskunde.

Vrouwonvriendelijke toetsen?

De genderbias van start- en ijkingstoetsen kan daar bij de groepen Biomedische Wetenschappen en Wetenschap & Technologie ook een rol in spelen. Die toetsen zijn niet bindend, maar uit onderzoek is al vaker gebleken dat meisjes met een lage score minder geneigd zijn om zich in te schrijven dan jongens, ondanks dat ze later een hoger slaagcijfer hebben.

'Vrouwen hebben gemiddeld minder zelfvertrouwen in hun eigen kunnen dan mannen, bijvoorbeeld wanneer ze inschatten of ze voldoende gekwalificeerd zijn voor iets', zegt Ramos. 'Dat verschil kan ook invloed hebben op hoe studenten de feedback van een ijkingstoets interpreteren. Daarom is het belangrijk dat we die feedback goed kaderen.'

Maar de grote factor die de gender­kloof in het hoger onderwijs verklaart, is de verschillende socialisatie van meisjes en jongens die al vroeg in de kindertijd begint. En de universiteit kan moeilijk beleid uitstippelen dat achttien jaar aan gegenderde socialisatie ongedaan maakt.

Ramos verwijst daarnaast naar de sociaal-cognitieve loopbaantheorie. Volgens die theorie wordt een studiekeuze mee bepaald door zelfeffectiviteit en door uitkomstverwachtingen. Die twee beïnvloeden ook welke interesses iemand ontwikkelt. Ze worden op hun beurt gevormd door leerervaringen doorheen het leven, en net daar kunnen genderverschillen ontstaan.

'Waarom zoveel meisjes voor een medische richting kiezen? Omdat ze heel verstandig zijn'

Chris Verslype, decaan faculteit Geneeskunde

Zelfeffectiviteit draait om het vertrouwen dat iemand heeft in zijn eigen vermogen om een opleiding aan te kunnen. Zoals de casus van de start- en ijkingstoetsen aantoont, ligt dat vertrouwen bij meisjes doorgaans lager.

Een ander aspect bij zelfeffectiviteit is dat we meestal op een vergelijkende manier nadenken over ons eigen kunnen. 'Meisjes leggen door hun socialisatie gemiddeld meer nadruk op sociale vaardigheden en schatten zichzelf daar ook vaak sterker in dan jongens', zegt Ramos. Wie zich vooral sterk voelt in sociale vaardigheden, kan zijn talent voor bijvoorbeeld wiskunde daardoor onderschatten. En dat terwijl soft skills overal van groot belang zijn, niet alleen in de sociale sector.

Diezelfde boodschap valt ook bij De Winne te horen: 'Willen we meer vrouwelijke studenten aantrekken in onze opleidingen, moeten we niet alleen aandacht hebben voor de beeldvorming van de opleiding, maar ook voor de loopbaanperspectieven die we hen tonen.'

Die toekomstverwachtingen zijn ook deels cultureel bepaald. In de voormalige Oost­blok­landen worden bijvoorbeeld veel meer vrouwen ingenieur. 'Historisch is het bij ons zo gegroeid dat ingenieurs goed hun boterham verdienen, en jongens schuiven loons­verwachtingen nog steeds vaker naar voren als een belangrijke motivatie om voor een richting te kiezen', zegt Van Aerschot. Een kleinere loonkloof tussen de verschil­len­de sectoren kan dus misschien voor een kentering zorgen.

Nee tegen het paternalisme

De genderspecifieke socialisatie maakt ook dat het voor de universiteit heel moeilijk is om beleid uit te stippelen. In de kleuterklas zijn op dat vlak de eerste verschillen al merkbaar, en ook in de middelbare school maken jongeren stereotiepe keuzes voor hun studies. 'De universiteit komt eigenlijk als allerlaatste in dat proces', zegt Van Aerschot.

'We focussen vooral op een personeelsbestand dat voldoende divers is', legt Van Aerschot uit. Omdat de universiteitsbrede studentenpopulatie wel in balans is, is het de taak van faculteiten om maatregelen te nemen als hun richtingen te onevenwichtig zijn. 'Bij studenten mag het beeld niet heersen dat een professor Informatica alleen een man kan zijn.'

'Het blijft problematisch hoe vrouwen in de zorg benaderd worden, ook op vlak van onderwijs en onderzoek'

Chris Verslype, decaan faculteit Geneeskunde

Die prioriteit om beleid uit te rollen, verschilt dan ook per faculteit. Aan de faculteit Geneeskunde staat het thema niet hoog op de agenda. 'We moeten niet terug naar een paternalistische samenleving waarin alleen mannen arts willen worden', aldus decaan Chris Verslype. 'Waarom zoveel meisjes voor een medische richting kiezen? Omdat ze heel verstandig zijn', meent hij.

Het huidige overwicht aan vrouwelijke studenten in de (bio)medische opleidingen kan volgens hem ook een ander probleem verhelpen: de genderkloof in de gezondheidszorg. 'Er is nog steeds veel onwetendheid over hoe we met vrouwelijke patiënten moeten omgaan', zegt Verslype. 'Het blijft problematisch hoe vrouwen in de zorg benaderd worden, ook op vlak van onderwijs en onderzoek.'

Er zijn namelijk grote verschillen in hoe mannen en vrouwen worden onderzocht, gediagnosticeerd en behandeld binnen de geneeskunde. Zo wordt pijn bij vrouwelijke patiënten systematisch onderschat, krijgen zij vaker late of foutieve diagnoses en worden zij ondervertegenwoordigd in klinische trials. Door dat laatste hebben vrouwen vaker last van ernstige bijwerkingen bij medicatie.

Vrouwen op de barricades

Pas in 1920 werden vrouwelijke studenten toegelaten aan de KU Leuven. In 1960 werd geografe Marguerite Lefèvre de eerste vrouwelijke hoogleraar aan de KU Leuven. Emma Vorlat werd in 1985 als eerste vrouw aangesteld tot vicerector. Sociale Wetenschappen was in 2010 de eerste faculteit met een vrouwelijke decaan: Katlijn Malfliet. En vorig jaar, in 2025, werd Severine Vermeire verkozen als eerste vrouwelijke rector.

Katlijn Malfliet was ook een pionier in de totstandkoming van genderbeleid aan de universiteit. In 1999 werd ze aangesteld als Rectoraal Adviseur Gelijke Kansen, en schreef ze ook het eerste Gelijke Kansenrapport van de universiteit. Onder Rik Torfs werd ze 'volwaardig' vicerector voor – onder andere – diversiteitsbeleid.

In dat allereerste rapport werd stereotiepe studiekeuze al naar voren geschoven als een probleem, al lag de focus nog veel meer op de discriminatie bij de aanstelling van het academisch personeel. 'Een rapport met rode cijfers en een duidelijke verwittiging dat het zo niet verder kan', staat er geschreven. Op dat moment bedroeg het aandeel vrouwen binnen het Zelfstandig Academisch Personeel (ZAP) slechts 11%. Dat cijfer is sindsdien verdrievoudigd, en zal nog blijven stijgen. 

Ook op de andere niveaus is er sindsdien heel wat verbeterd. In elke aanwervings­commissie voor academisch personeel zit er een gender- en diversiteitsspits, die getraind is op het erkennen van achterstellings­mechanismen en onbewuste voor­oordelen. 'Bij de uiteindelijke aanwerving hebben we tegenwoordig een grotere proportie vrouwen dan bij de kandidaten', zegt Van Aerschot.

'We verliezen met andere woorden geen vrouwen meer in de selectieprocedure door een unconscious bias.' Maar of een even­wichtigere genderbalans onder doctoraats­studenten, docenten en proffen ook meer studenten zal inspireren, blijft onzeker.


Heb je vragen of opmerkingen bij dit artikel? Stuur ze ons.

Powered by Labrador CMS